Catalogusnr:
Uitgever: ,
Categorie:
Geïllustreerd:
Bekijk fotoalbum Sfeerimpressie Ruilbeurs Hooglede 2014
KB Info
Meer informatie
achilles_1.pdf
achilles1.pdf
achilles5.pdf
centripress.pdf
Nieuwsbrief CycloSprint 01-2002.pdf
Nieuwsbrief CycloSprint 02-2002.pdf
Nieuwsbrief CycloSprint 04-2002.pdf
Nieuwsbrief CycloSprint 06-2002.pdf
Nieuwsbrief CycloSprint 07-2002.pdf
sportbibliotheek.pdf
Verhalenarchief.pdf
Archiefbank Vlaanderen - Archieven in de kijker.pdf
De Oude Fiets.pdf
englebert.pdf
Covers 2006.pdf
Covers 2007.pdf
FTS_JAAROVERZICHT_2000.pdf
FTS_JAAROVERZICHT_2001.pdf
FTS_JAAROVERZICHT_2002.pdf
FTS_JAAROVERZICHT_2003.pdf
FTS_JAAROVERZICHT_2004.pdf
FTS_JAAROVERZICHT_2005.pdf
FTS_JAAROVERZICHT_2006.pdf
FTS_JAAROVERZICHT_2007.pdf
FTS_JAAROVERZICHT_2008.pdf
FTS_JAAROVERZICHT_2009.pdf
1921 Geillustreerde Sportwereld 001 tm 038.pdf
1922 Geillustreerde Sportwereld 039 tm 089.pdf
1923 Geillustreerde Sportwereld 090 tm 141.pdf
1924 Geillustreerde Sportwereld 142 tm 193.pdf
1925 Geillustreerde Sportwereld 194 tm 245.pdf
1926 Geillustreerde Sportwereld 246 tm 297.pdf
1931 Geillustreerde Sportwereld 507 tm 558.pdf
Het Rijwielvak.pdf
grinta.pdf
Koers.pdf
Kuifje.pdf
maandblad.pdf
peloton.pdf
Sportarchieven_in_Nederland_Van_Buuren.pdf
Rijwielleven en Bromfietsen.pdf
robbedoes.pdf
Strengholt Aaldrik JanGeorge.pdf
Sport Club.pdf
Sport.pdf
Zondagsvriend.pdf
Wielersport weekblad.pdf
wielerglorie.pdf
wielermagazine.pdf
Vlaamse Wielrijder en Biker.pdf
Sprint.pdf
hutting.pdf
Nieuwsbrief_2014_6.pdf
1927 Geillustreerde Sportwereld 298 tm 349.pdf
1928 Geillustreerde Sportwereld 350 tm 401.pdf
1929 Geillustreerde Sportwereld 402 tm 454.pdf
1930 Geillustreerde Sportwereld 455 tm 506.pdf
1932 Geillustreerde Sportwereld 559 tm 610.pdf
1933 Geillustreerde Sportwereld 611 tm 662.pdf
1934 Geillustreerde Sportwereld 663 tm 714.pdf
1935 Geillustreerde Sportwereld 715 tm 767.pdf
1936 Geillustreerde Sportwereld 768 tm 819.pdf
1937 Geillustreerde Sportwereld 820 tm 871.pdf
Nummering 1921 tm 1937 Geillustreerde Sportwereld.pdf
Nieuwsbrief_2014_3.pdf
Nieuwsbrief_2014_4.pdf
Nieuwsbrief_2014_5.pdf
2095 Inkijkexemplaar.pdf
vliegende_neger.pdf
de_organisatie_van_de_sport_in_belgie.pdf
gelijkheid_van_kansen_en_sport.pdf
meer_samen_beter_toegankelijk.pdf
sport_cultuur_in_beweging.pdf
sport_en_economie.pdf
sport_en_leefomgeving.pdf
sport_en_media.pdf
sport_en_onderwijs.pdf
sport_en_tewerkstelling.pdf
sport_en_vrijwilligers.pdf
sport_ethique_valeur_normes.pdf
vrijetijd_werkt_ook.pdf
Nieuwsbrief_2012_12.pdf
wielerbaan_nieuwstraat_kerkrade.pdf
En De Broodrenner Hij Fietste Verder.pdf
Sportweek 1973 nummer 50.pdf
Wieler Magazine Jaargangen.pdf
Wieler Revue Jaargangen.pdf
Nieuwsbrief_2014_9.pdf
Nieuwsbrief_2014_8.pdf
Peter Winnen vond het wiel opnieuw uit.pdf
Video18juni2008nieuws.avi
Postzegelnieuws Tour 2010.pdf
Nieuwsbrief_2014_2.pdf
wielersport.pdf
covers sportrevue.pdf
Covers Sportillustartie.pdf
Cours.pdf
Procyling+Tourgids_2010.pdf
Inkijkexemplaar 1969 Kijk nr 25.pdf
Inkijkexemplaar 1967 Sport Spiegel nr 08.pdf
Inkijkexemplaar 1968 Sport Spiegel nr 07.pdf
sportspiegel.pdf
De Maandagnorgen extra nummer.pdf
Bernard_callens_Bibliografie.pdf
Het Volk krantjes 1964.pdf
Het Volk krantjes 1982.pdf
Het Volk krantjes 1976.pdf
Het Volk krantjes 1976.pdf
Inkijkexemplaar Sport Express 15 juli 1969.pdf
1926 Tour de France 20ste Ronde.pdf
1949 Tour de France 36ste Ronde.pdf
1950 Tour de France 37ste Ronde.pdf
1951 Tour de France 38ste Ronde.pdf
1952 Tour de France 39ste Ronde.pdf
Het Volk krantjes 1964.pdf
Het Volk krantjes 1982.pdf
Het Volk krantjes 1976.pdf
Sport Revue.pdf
TUSSENSPURT-2011-01.pdf
TUSSENSPURT-2010-01.pdf
TUSSENSPURT-2010-sep-okt.pdf
TUSSENSPURT-2010-02.pdf
Nieuwsbrief NWM Jrg02 2011 nummer 01.pdf
Nieuwsbrief NWM Jrg01 2010 nummer 01.pdf
Nieuwsbrief NWM Jrg01 2010 nummer 02.pdf
Nieuwsbrief NWM Jrg01 2010 nummer 03.pdf
Nieuwsbrief NWM Jrg02 2011 01.pdf
artikelen-overlijden-fedor-den-hertog-dagblad-de-limburger-de-telegraaf-algemeen-dagblad-14-februari
artikel-fedor-den-hertog-nrc-handelsblad-14-februari-2011.pdf
artikel-in-memoriam-1946-2011-wielerrevue-jrg-35-nr-3-2011-pag-36-37.pdf
artikel-overlijden-fedor-den-hertog-de-volkskrant-14-februari-2011.pdf
Nieuwsbrief_2014_1.pdf
ICC_Race2008.pdf
ICC_Race2009.pdf
ICC_Race2010.pdf
ICC_Race2011.pdf
TUSSENSPURT-2011-02.pdf
Limburg Trots Op Johan Vansummeren.PDF
01 Cover Cyclo Sport 37e Jrg Nr401 Oct1958.pdf
Doping en de media.pdf
Boeken over filatelie.pdf
Thema verzamelen.pdf
2008_Huishoudelijk_reglement_KBWB.pdf
Nederland_Zeeland__TourDeFrance_2010.pdf
Veloo_juni_2011.pdf
Overzicht Covers Wieler Revue Nationaal.pdf
maandblad.pdf
sportcommunicatie.pdf
sportcommunicatie(v2).doc
Pdf bestand - Crisis in het wielrennen.pdf
Pdf bestand - Sponsering in het wielrennen.pdf
Pdf bestand - Sportsterren, Media en Chauvinisme (Ruud Stokvis).pdf
covers-het-laatste-nieuws-tourkrant 2011.pdf
TUSSENSPURT-2011-03.pdf
folder-kontakt.pdf
collect-nummer-69-herfst-2011-pagina-16-artikel-jan-van-tellingen-verzamelaar-fietspostzegels.pdf
TUSSENSPURT-2012-1.pdf
TUSSENSPURT-2012-2.pdf
Nieuwsbrief_2014_10_mail.pdf
96ste-RVV+2012.pdf
Nieuwsbrief_2012_05.pdf
Nieuwsbrief_2012_04.pdf
Nieuwsbrief_2012_03.pdf
Nieuwsbrief_2012_02.pdf
Nieuwsbrief_2012_01.pdf
Nieuwsbrief_2012_06.pdf
Nieuwsbrief_2012_07.pdf
Nieuwsbrief_2012_08.pdf
Nieuwsbrief_2012_09.pdf
Nieuwsbrief_2012_10.pdf
Nieuwsbrief_2012_11.pdf
Mijnwerkerskampioenschappen.pdf
Nieuwsbrief_2012_13.pdf
kijk-op-valkenburg-jrg-1-nr-1-2010-artikel-alles-om-grendelplein.pdf
kijk-op-valkenburg-jrg-2-nr-1-2011-artikel-veldrijden-op-cauber.pdf
kijk-op-valkenburg-jrg-3-nr-3-2012-ziel-van-de-cauberg.pdf
kijk-op-valkenburg-jrg-3-nr-3-2012-voeten-en-wielen.pdf
kijk-op-valkenburg-jrg-3-nr-1-2012-cyclopcross-naar-de-top.pdf
TUSSENSPURT-2012-3.pdf
catalugus_licifermerken.pdf
Nieuwsbrief_2012_14.pdf
Nieuwsbrief_2012_15.pdf
1954 nr27 pag1257.pdf
1938sept5.pdf
Nieuwsbrief_2012_16.pdf
Nieuwsbrief_2012_17.pdf
Aankondiging STALEN ROS 2.pdf
het-nieuwsblad-sportwereld-tourkranten-2012.pdf
covers-het-laatste-nieuws-tourkranten-2012.pdf
Inkijkexemplaar Gerrit Schulte.pdf
Nieuwsbrief_2012_18.pdf
dopinggebruik.pdf
Het Wielerlandschap In Belgie.pdf
De Invloed En Toekomst Van Dopinggebruik In De Professionele Wielersport.pdf
Doping en de media. Epo voor de topsporter. Opium voor het volk.pdf
erfgoeddag2012_brochure_KempensKarakter.pdf
Nederlandse wielerhistorie 1970-2009.pdf
50-jarig bestaan van den Algemeene Nederlandschen Wielerbond.pdf
Wat in de boeken geschreven staat ..pdf
Rijwielleven in Nederland 25 jaar.pdf
sportboek.pdf
cauberg_verhaal.pdf
Nieuwsbrief_2012_19.pdf
Ons Rijwiel Nummer Bijvoegsel van Het Volk woensdag 20 maart 1929.pdf
Automobilisering En De Overheid In Belgie voor 1940.pdf
De feestviering van den Algemeenen Nederlandschen Wielrijders-bond.pdf
Automobilisering En De Overheid Belgie voor 1940.pdf
Letsel bij wielrennen.pdf
Nieuwsbrief_2012_20.pdf
Nieuwsbrief_2013_1.pdf
Nieuwsbrief_2013_2.pdf
Nieuwsbrief_2013_3.pdf
Gent_Wevelgem_infokrant_maart_2013.pdf
Nieuwsbrief_2013_4.pdf
Persbericht Evaluatie WK Wielrennen 2012.pdf
BARNES & NOBLE _ wielersport.pdf
de_goeie_ontspanning.pdf
Nieuwsbrief_2014_7.pdf
Nieuwsbrief_2013_5.pdf
Nieuwsbrief_2013_6.pdf
Genomineerde_sportboeken_2013.pdf
Nieuwsbrief_2013_7.pdf
Nieuwsbrief_2013_8.pdf
Nieuwsbrief_2013_9.pdf
Nieuwsbrief_2013_10.pdf
Nieuwsbrief_2013_11.pdf
Nieuwsbrief_2014_11.pdf
Nieuwsbrief_2013_12.pdf
Tussenspurt-2013-03.pdf
Nieuwsbrief_2013_13.pdf
Nieuwsbrief_2013_14.pdf
honderd jaar fietscultuur.pdf
Nieuwsbrief_2013_15.pdf
Nieuwsbrief_2013_16.pdf
Nieuwsbrief_2013_17.pdf
Hubens Bjorn.pdf
verhaaren_scriptie.pdf
het-wielerlandschap-in-belgie-magali-kimpe.pdf
identiteiten-in-de-koers-stijn-knuts-2011.pdf
Dynamisch onderzoek bij wielrenner.pdf
Nieuwsbrief_2013_18.pdf
7012-10399-1-PB.pdf
fietsen_en verkeersbeleid.pdf
Wiams Ruben.pdf
Vervoort Jan.pdf
SportGericht Jaargangen.pdf
Het_eeuwige_dilema.pdf
Nieuwsbrief_2013_19.pdf
Nieuwsbrief_2013_20.pdf

Afbeeldingen
a
2007
Mediguide
Bunnik
Algemeen
128 pagina's
Met illustraties

FIETSSPORT MEDISCH
Je Fietst, Je Leeft
21 x 29,7 cm
ISBN 978-90-811502-1-7


Eerder verschenen in FietsSport Magazine en - Fiets, sport, medisch : 10 jaar Medisch in Fiets. - Driebergen, Mediguide, 1997.

Vele medische klachten op de fiets komen door een te grote, te kleine of verkeerd afgestelde fiets. Vanuit zijn deskundigheid als arts én zijn ervaring als wereldfietser verdiept fietsdokter Kor van Hulten zich al vele jaren in medische klachten door het fietsen. En vooral ook in het voorkomen van die klachten. Hij publiceerde erover in diverse bladen. In zijn nieuwe boek 'FietsSport medisch' zijn de artikelen samengebracht en zonodig aangepast.

Harmonie
Al decennia reist de arts Kor van Hulten met de fiets door de gehele wereld. Van Hulten heeft zich gespecialiseerd in het voorkomen en genezen van medische kwalen die met fietsen te maken kunnen hebben. In 1991 haalde zijn berekening dat minstens één miljoen Nederlanders last hebben van zadelpijn het NOS-Journaal. Zijn sportmedische aanpak is pragmatisch en gemakkelijk te begrijpen. Die aanpak gaat uit van de zogenaamde “Comfortdriehoek”. Deze driehoek bestaat uit: mens, materiaal en omstandigheden. Pas als die in harmonie met elkaar zijn, is het lekker fietsen. Vandaar het belang van de persoonlijke fietsafstelling en een passend zadel. Verder kan veel fietsersleed voorkomen worden door een goede voorbereiding en door een strategische wijze van fietsen.

Gezond en klachtenvrij
FietsSport Medisch is bedoeld voor de fietser of fietsster die zo gezond en klachtenvrij mogelijk wil fietsen. Dat kan gelden voor het rijden van een vrijetijdstocht, het maken van een grandioze fietsvakantie tot het meedoen aan een uitdagende cyclosportieve. Onderwerpen in zijn nieuwe boek zijn o.a:
o Zadelpijn, knieklachten en vingergetintel
o Hartklachten, prostaatklachten
o Training en trainen met een hartslagmeter
o Eten en drinken
o Overgewicht
o Mountainbiken
o EHBO-F
o Fietsen in het buitenland
o Persoonlijke fietsafstelling
o Hoe gezond is fietsen en is fietsen goed voor seks?
1988, Brussel, Winning Productions, 79 pag., ill., 30 x 21 cm, (Gedrukt in België)

Tour Special van Cyclisme International in het Nederlands nr 5 augustus 1988. De inhoud is grotendeels hetzelfde aan het nr 36 van het Franse tijdschrift.

Er zijn volgende verschillen:
- Op de cover Rooks ipv Delgado
- Reportages over Rooks en Theunisse ipv Bernard en Herrera
- Poster van van Poppel ipv Boyer
- Nederlandse ipv Franse reclame

- Correspondent: Henny Rückert
- Uitgever: Jen-Claude Garot
- Foto's: Graham Watson; tenzij anders vermeld
- Lay-out: Dominique Sonnet, Pierre Meeus, Isabelle Duquesne
- Eindredactie: Reina van der Wal
- Druk: Winning Productions; Rue de la Concorde 22, 1050 Brussel, België
- Distributie:
Nederland: PVO BV, postbuus 77, 5126 ZH Gilze en Betapress in Gilze
België: PVD, Brussel
- Informatie:
Nederland: Postbus 424, 1270 AK Huizen, tel: 02152-67264
Belgie: Roland Vyvey, De Smet de Nayerstraat 40, 8430 Middelkerke, tel: 59-300-511

Cyclisme International is een uitgave gemaakt door Winning Productions, Eendrachtstraat 22, 1050 Brussel.

Franse versie:
- Cyclisme International: Mensuel n° 36 - Août 1988, 16, Place du Havre - 75009 Paris. Tél: 1/42.85.79.40
- Editeur: Jean-Claude Garot
- Directeur de publication-Gérant: Thierry Deketelaere
- Secrétaire de Rédaction: Bruno Prinzie
- Collaborateurs à la Rédaction: Elisabeth Bertelot, Pierre Titeux, Igor Risbane, Gilles Goetghebeur, Ane Hauben, Jean Wauthier, André Noret, Evelyne Barteau, Rupert Guinness, Henri Montulet, Bruno Hubart
- Conseiller sportif: Eddy Merckx
- Directeurs artistiques: Maurice Roquet, Manfred Hürrig
- Réalisation graphique: Dominique Sonnet, Pierre Meeus, Isabelle Duquesne, Claire Michot
- Photographes: Thierry Deketelaere, Seth Goltzer, Nutan, Claude Roig, Graham Watson
- Photocomposition: Alain Adriaens, Lina D'Ostilio
- Photogravure: Christophe Baudart, Catherine Fontinoy, Michelle Sombré, Manou Hürrig, Florence Michels
- Production: Guy Vandenborne
- Publicité: Jean-Yves Allizan, Florance Bleau
- Winning Club France: André Bismuth
- Winning Club Belgique: James Rooms
- Relations Publiques: Hedwige Hankart, Fabienne Verpalen
- Assistente de direction: Chantal Hubart
- Secrétariat: Catherine Michaud
- Ont participé à ce numéro: Louis Pallère, Victor Capaigu, Mohamed Cherradi, Béatrice Verfaillie
- Rédaction - Admistration - Publicité: 16, place du Havre - 75009 Paris, Tél: 1/42.85.79.40
- Service de vente: SOC Téléphone vert: 05.21.32.07
- Distribution: NMPP (France), AMP (Belgique), Naville (Suisse)
- Publicité-internationale-Fabrication-Impression: Offpress SA - 22, Rue de la Concorde - 1050 Bruxelles - Belgique, Tél. (19/32/2)513.95.10, Fax: (19/32/2)513.04.00, Télex: 62.464

Cyclisme International est édité par Winning Productions SARL - 16, Place du Havre - 75009 Paris, Cap: 50.000 F, RCP 332652809-85, N° de commission paritaire 67839 - Dépôt légal àparution, ISSN: 0980-2312, Tous droits de peproduction (Tectes et photos) Réservés pour Tous pays.

Imprimé en Belgique
ALBERT RICHTER Het levensverhaal van Albert Richter werd te boek gesteld door de Keulse journaliste Renate Franz ("Der vergessene Weltmeister", 1998), maar twintig jaar eerder werd zijn leven door de DDR-auteur Herbert Friedrich in een geromantiseerde versie met gewijzigde namen beschreven in "Zeven jaren van een wielrenner" (uitgeverij Sjaloom, 366 blz.). Het is een boek dat speciaal bedoeld is voor de jeugd, maar dat zoals elk goed jeugdboek ook door volwassenen kan worden gelezen. Het is geen "echte" beschrijving van de carrière van een kampioen. Geen opsomming van z'n overwinningen, z'n valpartijen, z'n nederlagen. Maar anderzijds veel "echter" dan die lijstjesboeken. Want daar lijkt het wel of die renners in een vacuum hebben gereden. Hadden zij broers of zusters? Vrienden buiten het milieu? Kwam hun liefje zo maar uit de lucht vallen? Hadden zij dan echt geen enkele politieke opvatting?  

Voor Herbert Friedrich ligt dit allemaal heel eenvoudig. Ja, een renner is ook maar een mens, zoals zelfs Eddy Merckx placht te zeggen. Natuurlijk, uitslagen kun je aflezen uit de krant, maar dat andere is veel moeilijker. Vooral als de renner in kwestie reeds meer dan veertig jaar dood is. Omdat één en ander dan ook niet helemaal na te trekken valt, heeft Friedrich voor een geromantiseerde benadering geopteerd, compleet met gefingeerde namen en al.
Zoals gezegd gaat het boek dus eigenlijk over Albert Richter, die in die tijd samen met Poeske Scherens en de Fransman Gérardin een onafscheidelijk trio sprinters vormde. Later kwam daar ook nog de Hollander Arie Van Vliet bij. In het boek krijgen ze echter andere namen. Richter is Otto Pagler, Scherens heet Jeffe Stevens en Gérardin gewoon Gérard. Volgens de auteur waren Richters broer en zijn vrouw ook bij het communistische verzet tegen Hitler, maar daarvan heb ik verder geen bewijzen kunnen terugvinden. Het stond wel vast dat Richter zelf eigenlijk niets met politiek wilde te maken hebben, maar de politiek ging zich met hém bemoeien. Volgens de auteur werd hij (net als Miehte) gevraagd om in opdracht van de Führer spioneren in het buitenland. Dat weigerde hij. Hij zag hoe z'n familie en vrienden opgejaagd werden en koos voor hén. Dat was meteen z'n doodvonnis.
Dat de broer en de vrouw van Richter bij het communistische verzet tegen Hitler zouden geweest zijn en dat anderzijds Richter door de nazi's onder druk zou gezet zijn om te spioneren op zijn buitenlandse reizen, daarover spreken Weber en Scholl niet, ook al zijn ze zelf ook duidelijk "links" geïnspireerd. Ze spreken zelfs niet over het feit dat Richter zou getrouwd geweest zijn. Ze weten wel te melden dat zijn beide broers Karl en Jozef omgekomen zijn in de oorlog. Deze toevoegingen mogen we dus wellicht op rekening schrijven van het feit dat Friedrich de DDR-propagandamachine een dienst heeft willen bewijzen ...
Extra dikke Tour de France Special

Wil vermelden dat 'slechts' 32 pagina's van de 100 (dus minder dan een derde) over wielrennen gaat.


Nummer 25 - 22 Juni 2010
NUsport is een uitgave van Sonoma Uitgevers.
28,5 x 21 cm, 98 pag.,

- De Tour van Robert Gesink
- Lars Boom rijdt als knecht
- Maak Armstrong niet boos!
- Sneijder lacht ze allemaal uit
- De droom van Van Bronckhorst
- Wat is er mis met Andy Murray?

Tour de France-special
10 Redenen om te kijken
Lijf & Leden van Robert Gesink
Wilfried de Jong over Eddy Merckx
NUsport’s Tour-toto tips
Joop Zoetemelk en de Tour van ’80
Imperium Armstrong slaat terug
NUsport interview Lars Boom
Robert Gesink
Hij was dichtbij de zege in de Ronde van Zwitserland en liet
daarmee de verwachtingen nog hoger stijgen. NUsport
onderwerpt lijf en leden van neerlands hoop aan een nader
onderzoek. In deze vooruitblik ook Lars Boom,
Lance Armstrong en Joop Zoetemelk.

Oranje - Wesley Sneijder
NUsport dook een week in zijn kielzog en zag de tien
gezichten van de man die het zwaar te verduren heeft.

Afscheid - Giovanni van Bronckhorst
De verdediger maakt in het interview zijn ultieme droom
duidelijk: afscheid nemen met de beker boven zijn hoofd,
gekregen uit hand van Nelson Mandela.

Wimbledon - Andy Murray
Hij lijdt aan de seven season blues, alles wordt een sleur,
de motivatie is ver te zoeken. Dan verwachten de Engelsen
ook nog eens een zege op Wimbledon van hem.

NUsport Kiest - Nemanja Vidic
Het WK is het toernooi van de verdedigers,
één van de beste blunderde opzichtig tegen Duitsland.

De 10 van… met Jaap Stam
Oranje’s voormalige topverdediger heeft goede tips
voor zijn opvolgers én een hard hoofd in succes
voor het Nederlands elftal.

Struis van huis - Miss Universe
Edwin Struis dompelt zich onder in de Braziliaanse voetbalbeleving
en ontmoet op een klein veldje in een township de toekomstige
Miss Universe.

Tenu - Lee Towers
De zanger uit ‘Zuid’ vertelt vol vuur en passie over zijn Feyenoord.

Uruguay - Luis Suarez
Tegen Zuid-Afrika zagen we de speler die we uit
de Arena kennen,frommelend en vallend.
NUsport sprak hem na afloop.

Andruw Jones
Al jaren staat hij op 1 in onze Top 100 inkomens,
NUsport sprak hem in Chicago over de stap terug die hij deed.

RUBRIEKEN
Voetbalfoto
NUvoetbal
Uitgelicht
NUsport
De sportfoto
De week vooruit
Mart Smeets
TOEN PAPA NAAR ARGENTINIË GING

Papa, toen ik Wouter Bos hoorde zeggen dat hij uit de politiek ging om meer bij zijn gezin te zijn, nam ik dat voor kennisgeving aan. Prima, dacht ik. Hij pakt zijn verantwoordelijkheid als vader. Als ik voetballers hoor zeggen dat ze hun kinderen missen als ze op trainingskamp zijn, vind ik dat zielig voor hun kinderen. En ik spreek uit ervaring, ik weet wat ze voelen.

Lieve papa, miste jij mijn zus en mij vroeger ook altijd zo, als je samen met Henk van Dorp weer eens weken weg was om een wereldkampioenschap voetbal, Olympische Spelen of een Europees kampioen schap te volgen? Die vraag kwam in me op toen ik Wouter Bos hoorde zeggen waarom hij uit de politiek ging. Tijdens het WK van ’74, heb ik me laten vertellen, was je nog net aanwezig om me geboren te zien worden. Meteen daarna vertrok je weer, of niet?

Ik moest er ook aan denken toen we vorig jaar samen het ritueel zagen waarmee Robin van Persie zijn zoon in slaap krijgt. We gingen alleen maar even uit eten, Robin en Bouchra zouden ’s avonds gewoon weer thuis komen. Robin zei: ‘Shaqueel gelooft me niet als ik zeg dat ik er morgenochtend weer ben als hij wakker wordt. Je ziet hem denken: ja ja, je bent vast weer drie dagen weg.’ Ik zag ook hoe Shaqueel zijn vader om zijn nek vloog toen Robin van de training kwam. ‘Soms kom ik bijna te laat op een training, omdat Shaqueel zo verdrietig is als ik vertrek.’

Kwam jij wel eens te laat, pap? Het gebeurde gewoon, jij ging voor je werk weken van huis. Ik geloof niet dat mijn grote zus en ik op het moment van afscheid nemen moeilijk deden. Ik weet nog dat we jullie gedag gingen zeggen op Schiphol voor je vertrek naar Argentinië in 1978. Ik realiseerde me dat niet, dat je bijna twee maanden weg was, maar ik realiseerde me wel dat je lang weg was. Ik verzette me, ik was kwaad. Ze wilden foto’s maken van jouw afscheid van ons, maar ik wilde niet, ik trok alleen maar gekke bekken. Ik wilde geen gewone foto.

Begreep je mijn woede? Maar naarmate de dagen vorderden, ging ik, papa’s kindje die ik was, jou vreselijk missen. En naarmate ik ouder werd, vond ik het steeds erger. Een dieptepunt voor mij waren de Olympische Spelen in Seoul in 1988. Ik was veertien jaar oud. Na de Spelen zijn jullie nog door Indonesië gaan reizen, het land waar de ouders van mijn moeder hadden gewoond en in het Jappenkamp hadden gezeten. Mijn andere oma paste op mijn zus en mij. Ik kan me herinneren dat mijn zus het vooral een groot feest vond, zij was zestien. Ik was kwaad en verdrietig, maar durfde niets te laten merken omdat ik al veertien was. Ik begreep het ook wel, maar toch.

Ik denk dat ik daarom steeds meer begrip krijg voor Wouter.

Namens Frits en mij, veel leesplezier met Helden 5, deze ligt vanaf 8 juni in de winkel.
Barbara Barend
Dit eerste themanummer beschrijft op 28 bladzijden de geschiedenis van Gazelle. Naast een historisch overzicht over de ontwikkeling van het bedrijf komen speciale modellen en onderdelen van Gazelle aan bod. Daarnaast wordt de ontwikkeling van de reclameuitingen besproken en ten slotte rondt een portret van een Gazelle-verzamelaar dit onderwerp af.

Gazelle, een bijzonder fietsmerk

Op deze pagina vindt u de tekst van het Gazelle-themanummer, uitgegeven door de vereniging De Oude Fiets. Dit geïllustreerde boekje is te bestellen bij het secretariaat. Voor meer informatie klik hier.



Dit themanummer van De Oude Fiets is gewijd aan het Nederlandse merk Gazelle dat in 2002 110 jaar bestaat. Een bijzonder fietsmerk omdat het een rijke historie heeft en tegelijk al geruime tijd marktleider is in Nederland. Voldoende reden nader in te gaan op de geschiedenis van dit merk, dat veel liefhebbers van oude fietsen nog steeds aanspreekt. We doen dit in de vorm van een aantal artikelen. Het eerste artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van het merk, het daarop volgende gaat in op de modellen van Gazelle. Vervolgens een bijdrage over een aantal specifieke onderdelen van het merk, met bijzondere aandacht voor de datering daarvan. Voorts een bijdrage over de reclamevormen die het merk heeft gebruikt. Tenslotte een portret van Gazelle-dealer en -verzamelaar Meindert Moos.



Een kort historisch overzicht

Inleiding
Over Gazelle is reeds het een en ander geschreven. Het standaardwerk over de geschiedenis van de fabriek is het jubileumboek uit 1967 (ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan), geschreven door Simons en Fuchs. Dit boek beschrijft de fietsgeschiedenis in het algemeen en vervolgens - in vrij grote stappen - de geschiedenis van Gazelle. Bij het honderdjarig bestaan van de fabriek in 1992 (toen de fabriek het predikaat ‘Koninklijke’ kreeg toegevoegd) is nog een aardige brochure uitgegeven, maar hierin is weinig nieuw historisch materiaal opgenomen.
Hoewel het historisch erfgoed niet de primaire aandacht heeft van de bedrijfsleiding (de blik is natuurlijk eerst op de markt c.q. de toekomst gericht) is binnen de fabriek een bescheiden expositie van oude fietsen te aanschouwen. Het is te danken aan het enthousiasme van enkele vrijwilligers (met oud-medewerker Theo Stokman voorop) dat er het nodige materiaal bewaard is gebleven.
Deze bijdrage bevat een overzicht van de highlights van de Dierense fabriek, waarbij een chronologische lijn wordt gevolgd.

Ontstaan
In 1892 namen de heren Rudolf Arentsen en Willem Kölling het initiatief voor de oprichting van een bedrijf dat fietsen en onderdelen zou gaan verhandelen. Het was in de periode dat de fiets als luxe-artikel in Nederland in opkomst was en de nieuwe ondernemers hun kans in deze markt roken. Aanvankelijk werden onder de handelsnaam Arentsen en Kölling Engelse fietsen geïmporteerd (van de merken Alldays en Conqueror) en werd een grossierderij in onderdelen opgezet. In 1902 werd gestart met de assemblage van ‘eigen’ fietsen, voor het eerst onder de naam Gazelle. Deze naam, die snelheid en rankheid symboliseert, bestaat dit jaar dus precies een eeuw.
De compagnon Arentsen trok zich in 1905 reeds terug, waarna Hendrik Kölling tot de directie toetrad. In 1902 werd een gebouw aan het spoor in Dieren betrokken dat in 1912 aanzienlijk werd uitgebreid. Dit hoofdgebouw is nog steeds in bedrijf en moet inmiddels tot het nationale industriële erfgoed worden gerekend.
Vanaf 1902 werd de productie in eigen beheer steeds verder uitgebreid, waarbij vanaf 1912 de Gazelle-fietsen volledig in Dieren werden gemaakt. Ten opzichte van gevestigde merken als Fongers en Burgers, moet Gazelle worden gerekend tot de tweede lichting van Nederlandse fietsproducenten (tezamen met merken als Batavus, Union en Germaan).
In de jaren ’10 bedroeg de productie niet meer dan ca. 10.000 fietsen op jaarbasis. Dit is een van de redenen waarom Gazelle-fietsen van voor 1920 tamelijk schaars zijn.
In 1905 werd gestart met eigen prijscouranten (eerst in de vorm van vouwbladen), die jaarlijks zouden worden vernieuwd. Vanaf 1923 zouden deze huis aan huis in Nederland worden bezorgd, een traditie die men steeds heeft aangehouden.
Naast de klassieke dames- en herenfietsen heeft vanaf Gazelle vanaf de jaren ’10 ook bijzondere modellen geleverd zoals racefietsen en transportfietsen en later rijwielen met hulpmotor, elektrische fietsen, bakfietsen en bromfietsen.
Eveneens heeft men vanaf het begin van de twintigste eeuw fietsen en onderdelen geëxporteerd naar Nederlands Indië (in de jaren dertig bestond in Batavia zelfs een Gazelle-Huis).
In 1915 wordt de naam van de onderneming gewijzigd in NV Gazelle Rijwielfabriek v/h Arentsen en Kölling en treedt Jan Breukink toe tot de directie. De familie Breukink zou tot in de jaren ’80 in de directie vertegenwoordigd blijven en het bedrijf sterk het karakter van een familiebedrijf geven. Zo startte men in de jaren twintig een eigen ziekenfonds voor het personeel en werd een Gazelle-lied gecomponeerd. De medewerkers hadden een sterke binding met het bedrijf. Velen hadden bij Gazelle een baan voor het leven.
Het Gazelle-lied dat in 1927 ter gelegenheid van het 35-jarig bestaan van de fabriek werd gemaakt luidde als volgt:

In het schone Gelderland
Ligt een dorpje zeer charmant,
Dieren is daarvan de naam
En daar komen wij vandaan.
Fietsen maken is ons werk
Maar alleen ‘t Gazelle merk.
Dat staat aan de spits van de rijwielindustrie.
We vijlen frame, buis en lug,
Solderen krachtig en vlug.
Alles zit er aan, geloof me maar,
Solide in elkaar.
De lak is taai, glanzend fijn,
’t Nikkelwerk mag er zijn.
De monteurs zorgen dan
Dat de fiets er tegen kan.
Gazelle, Gazelle blijft toch steeds bestaan,
Geen concurrentie kan dit merk verslaan.
Gazelle, Gazelle, uw toekomst was geen droom,
Boven andere merken spant Gazelle de kroon.

Let op de technische details in het lied en de vooruitziende blik over de toekomst!

De periode van consolidatie
Het merk Gazelle zou zich vanaf midden jaren twintig stevig nestelen in de markt. De modellenlijn was in deze periode redelijk uitgekristalliseerd en de productie van het merk nam ieder jaar gestaag in omvang toe. Tussen 1920 en 1935 werden zo’n 20.000 fietsen per jaar gemaakt. Ondanks de recessie in de jaren dertig nam dit toe tot ca. 30.000 per jaar in de jaren net voor de Tweede Wereldoorlog. Toen de fabriek door bombardementen in de oorlog voor een belangrijk deel werd vernietigd, waren in veertig jaar zo'n 600.000 Gazelle-fietsen gemaakt.
Na de oorlog duurde het tot augustus 1946 voordat de productie weer enigszins op gang kwam. In de jaren vijftig groeide de productie gestaag tot zo’n 70.000 fietsen op jaarbasis, overigens grotendeels in de vorm van de vertrouwde vooroorlogse modellen.
Het familiebedrijf, dat op zijn hoogtepunt meer dan 500 medewerkers in dienst had, beleefde mooie tijden. Het dealernetwerk bestond landelijk uit meer dan 2.500 agenten, waardoor de afstand tussen gebruiker en fabrikant kort was. De modellenlijn was breed en divers, terwijl de productvernieuwing eind jaren vijftig de nodige aandacht kreeg (bi-colorfietsen, sportmodellen, nieuwe kleuren). Gazelle had in deze periode een groot aantal eigen onderdelen in productie, zoals de trommelremnaaf (reeds in de jaren dertig ontwikkeld), het slot, de drieversnellingsnaaf met bediening in een draaihandvat en het aangesoldeerde achterlicht. Onderdelen, die in combinatie de Gazelle-fiets een eigen aangezicht gaven.
Gazelle zou zich in deze periode ook op de productie van bromfietsen en elektrokarren storten, zij het met wisselend succes. In 1954 werd Gazelle van een familievennootschap omgezet in een open NV.

De nieuwste geschiedenis
Hoewel de productie begin jaren zestig hoger was dan ooit tevoren (met productie-aantallen van bijna 100.000 per jaar), kwam ook dit solide bedrijf in rentabiliteitsproblemen. De productiekosten namen sterk toe, terwijl de productiviteit daarbij achterbleef. Het waren de jaren waarin de grote hergroepering en sanering in de Nederlandse fietsindustrie zou starten. Zo ging Gazelle in 1963 een kongsi aan met Batavus, die echter maar enkele jaren overeind bleef (zij het dat de carrierbouw, afkomstig van Batavus, bij Gazelle zou blijven). In 1968 nam de fabriek de gevestigde, maar veel kleinere merken Juncker, Locomotief en Simplex over, welke namen nog steeds worden gevoerd als submerk (de merknaam Simplex is onlangs aan een Duits bedrijf verkocht).
In 1971 werd het bedrijf zelf overgenomen door het Engelse Tube Investment. De fabriek zou vanaf dat jaar verder gaan onder de naam Gazelle Rijwielfabriek BV. Ook in deze periode bleef de productie toenemen en groeide van ca. 100.000 per jaar naar inmiddels ruim 300.000 fietsen. Het bedrijfsproces werd consequent gerationaliseerd, zodanig dat de productiviteit gelijke tred hield met de concurrentie. Eind jaren zestig werd wel een speciale race-afdeling opgezet, die zich toelegde op de productie van handgemaakte racefietsen, de raspaardjes uit de Gazelle-stal (tegen speciale prijzen).
In 1987 werd het bedrijf door TI verkocht aan Derby Cycle International Corporation. Zeer onlangs stootte deze Engelse multinational het bedrijf weer af, waarbij het thans in handen is van de Nederlandse investeringsmaatschappij Gilde Buy Out Fund. Via een omweg is Gazelle nu weer in Nederlandse handen.
Intussen blijft het bedrijf aan de weg timmeren. Wie een recente folder doorbladert staat versteld van het grote aantal modellen en uitrustingsniveaus. Leggen we de folders van de afgelopen vijf jaar naast elkaar dan valt tevens het grote verloop in modellen en vooral kleuren op. Het aanbod van Gazelle (dat daarin overigens niet uniek is) symboliseert de tijdgeest, waarin ook duurzame gebruiksartikelen in toenemende mate aan modetrends onderhevig zijn. Gazelle bewaakt daarbij steeds het kwaliteitsniveau van de fietsen, welk aspect als een rode draad door de geschiedenis van het bedrijf loopt.
Samengevat valt te stellen dat de honderdtienjarige een boeiende levensloop heeft gehad, maar vitaler is dan ooit.



De modellen

Gazelle was primair fabrikant van de klassieke Hollandse dames- en herenfiets. Weliswaar fietsen van degelijk fabrikaat (hoewel de kwaliteit van lak, chroomwerk en onderdelen door de jaren heen wel zou fluctueren), maar in principe niet wezenlijk verschillend van het aanbod van andere vaderlandse fabrikanten.
Gazelle heeft vanaf de jaren ’10 tot de jaren ’60 een consequente benaming van de modellen gehanteerd. De typenummers 1 tot en met 12 werden gevoerd, waarbij het uitrustingsniveau (en daarmee de prijs) de belangrijkste variabele was (en niet zozeer het frametype). In de jaren tot 1922 was model 12 de duurste uitvoering, daarna model 9 en in de naoorlogse jaren model 8. De goedkoopste uitvoering had van meet af aan de type-aanduiding ‘Populair’ (ook wel afgekort tot P). In later jaren worden ook de modellen A en L gevoerd. Medio jaren ’60 worden de nummeraanduidingen verlaten en komen daarvoor omschrijvingen in de plaats (Sport Populair, Tour de France etc.). Vanaf 1923 worden goedkopere uitvoeringen uitgebracht onder de merknaam Gelria en vanaf 1931 onder de naam Invicta.
Het merk Gazelle heeft ‘kleur gekregen’ door een aantal specifieke modellen, die vanaf de beginjaren naast de gewone modellen leverbaar waren. Hoewel geen enkel specifiek model alleen door Gazelle is gemaakt (behoudens de Kwikstep), geeft de combinatie van de ‘raspaardjes’ over de periode 1915-1965 het merk een bijzonder cachet.
Op de volgende pagina‘s worden de specifieke modellen van Gazelle (tot 1965) kort belicht.Voor al deze modellen geldt dat er geen goede schattingen van de ‘oplages’ beschikbaar zijn. Aangezien het om de minder courante typen gaat, valt - als zeer voorzichtige schatting - te stellen dat van geen enkel type meer dan 25.000 exemplaren zijn gemaakt. Het gaat daarmee om schaarse modellen, gezocht door verzamelaars. Overigens is dit geen uitputtend overzicht; bekend is dat Gazelle nog een aantal specifieke frames heeft gebouwd die niet altijd in de prijscouranten werden vermeld.

transportfiets
De prijscourant van 1913 maakt voor het eerst melding van de klassieke transportfiets. In alle opzichten is deze gebruiksfiets zwaarder uitgevoerd dan de reguliere herenfiets. Kenmerkend is de dubbele horizontale framebuis. Er is een model gemaakt waarin deze tweede buis schuin naar de zadellug toeloopt (ook wel aangeduid als Mohawk-frame).
Transportfietsen zijn tot ca. 1965 gemaakt. Als gevolg van het veelal intensieve gebruik is een originele Gazelle transportfiets in goede staat vrij zeldzaam.

Kruisframe (model X)
In 1930 startte Gazelle met de productie van het klassieke kruisframe, een model dat overigens door andere fabrikanten al vanaf 1900 werd gemaakt. Het bijzondere bij Gazelle is dat dit model zo’n 35 jaar onafgebroken in productie is gebleven (de folder van 1965 maakt voor het laatst melding van dit model). Het kenmerkende van dit model zijn de twee kruisende schuine buizen in het frame, waardoor een grotere stijfheid werd verkregen. Dit model is in alle framematen van 61 cm tot 76 cm geleverd. Naarmate het frame hoger was nam de hoek in het kruis toe. In aanzien een voornaam model, dat zo'n 10% duurder was dan de reguliere modellen 9 of 8.

Kruisframe (model V)
In 1932 werd het model V in productie genomen. Dit herenmodel werd aangeprezen voor zijn lage instap en als ‘verkeersmodel’ geafficheerd. Ook dit frame bleef tot ca. 1965 in productie. Het wordt minder vaak aangetroffen dan het klassieke kruisframe en zal dan ook in lagere aantallen zijn geproduceerd. Nadeel van dit, overigens vrij unieke, model zijn de weglopende buizen van het bovenbalhoofd naar de achterpadden. Ter hoogte van het zadel raakt men deze buizen vrij gemakkelijk bij het fietsen. Dit geldt zeker bij de vooroorlogse modellen, waarbij de verbindingen met de zadelbuis de vorm van ‘kogels’ hadden. Ook dit model was zo'n 10 % duurder dan de reguliere modellen 9 of 8.

Girderframe
Van ca. 1910 tot 1912 heeft Gazelle het zogenaamde Girderframe in de collectie gevoerd, destijds aanduid met typenummer 10. Dit herenframe, dat ook door Engelse fabrikanten en in Nederland door Alt en Gruno is gemaakt, kenmerkt zich door een extra buis die van de onderbalhoofdlug naar de zitbuis loopt, op ca. 20 cm boven het bracket. Vanaf dat punt lopen twee kleine buisjes naar de liggende achtervorken. Deze constructie was bedoeld ter versteviging van het frame als geheel. Een schitterende fiets, waarvan er maar zeer weinig zijn gemaakt.

Priesterrijwiel
Dit model, dat ook door andere fabrikanten werd gevoerd, kenmerkt zich door een lage gebogen buis (met een lagere instap dan het klassieke damesframe en met twee dwarsbuisjes naar de gebogen buis), waarvoor het instappen door geestelijken met lange gewaden werd vergemakkelijkt. De jasbeschermers sloten aan op de kettingkast en de liggende achtervork. De prijscourant van 1919 laat dit model voor het eerst zien. Het model is tot eind jaren vijftig gemaakt (zij het in een aangepaste uitvoering).

Driewieler
Als basis voor de open of gesloten bakfiets werd in 1915 de eerste driewieler in de prijscourant van Gazelle vermeld. Dit model is met de nodige aanpassingen tot begin jaren zeventig in productie gebleven. Diverse soorten van opbouw konden op bestelling worden geleverd. In de jaren zestig is de productie van deze modellen verplaatst naar de fabriek in Aalten.

Tandem
Vanaf 1935 start Gazelle met de productie van tandems. Het is de periode waarin deze duofiets in Nederland opeens een grote populariteit krijgt, zodat alle fabrikanten zich op deze kleine deelmarkt storten (ook dit model was al veel langer bekend). Door toepassing van zwaardere onderdelen een loodzware fiets, die zich niet eenvoudig liet berijden. Voor de oorlog ontstonden er in de grote steden tandemclubs die er groepsgewijs op uit trokken.
Na de oorlog verdwijnt dit model van het toneel om in 1966, bij de nieuwe opleving van het fietsgebruik, weer terug te keren in lichtere vorm. Tot op heden nog steeds leverbaar.

Sportmodel
In 1936 komt Gazelle voor het eerst met een sportmodel ( model L) voor dames en heren. Op zichzelf niet revolutionair want de Engelse fabrikanten hadden medio jaren twintig al dergelijke modellen ontwikkeld. Smallere wielen (28 x 1 3/8), een lager stuur, smallere spatborden (aan de voorzijde soms uitlopend in een punt) en voor de dames toepassing van het parallelframe waren nieuwe elementen van deze modellen. In gewijzigde vorm is dit het model dat op dit moment het meest verkochte basistype is.

Kwikstep
Met de Kwikstep introduceerde Gazelle als eerste Nederlandse producent in 1964 de vouwfiets in Nederland. Ten opzichte van de vele modellen van andere merken wijkt dit model af door de relatief grote wielmaat (24 inch). Al vrij snel wijzigde het model in een deelfiets met 22 inch-wielen. Anders dan veel andere merken heeft Gazelle dit model lang in productie gehouden.

De totale productie van Gazelle heeft inmiddels de 12 miljoen fietsen overschreden. Naar schatting rijden zeker 4 à 5 miljoen exemplaren daarvan op dit moment nog rond. Gazelle is daarmee zonder twijfel de meest verbreide fiets in Nederland.



De onderdelen

In hoofdzaak heeft Gazelle in de periode 1905-1965 dezelfde basistypen fietsen gemaakt. Het klassieke dames- en herenmodel vormden de kern van de productie. Een aantal bijzondere modellen werd hiervan afgeleid. De kinderfietsen waren in feite ook kleine kopieën van de twee basismodellen. Toch bestaan er grote verschillen in verschijningsvorm tussen een herenfiets uit pakweg 1915 en eenzelfde model uit 1965. Deze verschillen worden vrijwel geheel bepaald door de onderdelen en de afwerking van de fiets. Juist de specifieke onderdelen geven een fiets uit een bepaalde periode zijn eigen aangezicht. Om die reden hebben we geprobeerd voor de meest belangrijke onderdelen een aantal stijl- en uitvoeringskenmerken te benoemen. Een dergelijk overzicht kan behulpzaam zijn bij de datering en restauratie van oude modellen.
Het basismateriaal voor deze bijdrage is verzameld door André Koopmans, die in Velorama zo’n vijftig jaar Gazelle-folders en -onderdelencatalogi heeft onderzocht.

Frames
· De standaardmaten zijn altijd 55, 61 en 66 centimeter geweest; tegen meerprijs zijn vanaf het begin echter ook andere hoogten leverbaar geweest.
· Vanaf 1927 zijn de kleuren grijs, donkergroen en donkerrood leverbaar tegen een meerprijs van ƒ 7,50; tegen een prijs van ƒ12,50 waren echter alle kleuren op verzoek leverbaar (toch zijn er weinig vooroorlogse fietsen in kleur bekend).
· In de jaren ’10 werden fietsen standaard niet gebiesd; voor duurdere modellen werden in de jaren daarna zowel groene als gouden biezen aangebracht (vanaf ca. 1925 alleen goud).
· vanaf 1915 zijn voor het eerst plaatstalen bagagedragers tegen meerprijs leverbaar; vanaf 1929 worden de ‘buisdragers’ standaard gemonteerd.
· Smeernippels op het bracket zijn tot 1948 gemonteerd.

Nikkel/chroom
· Tot 1931 werden sturen, cranks, zadelpennen, cups, bouten, moeren en wielen in nikkel uitgevoerd. Vanaf 1931 wint chroom snel veld en zal Gazelle daarvoor eigen procédés ontwikkelen.

Wielen
· Op de reguliere modellen zijn altijd wielen van 28 x 1,5 inch gevoerd, behalve op de sportfietsen (28 x 1 3/8).
· Tot 1917 waren op bepaalde modellen houten velgen leverbaar, maar was de standaarduitvoering in staal (zwartgelakt of vernikkeld). Van 1922 tot 1934 werden aluminium Roman-velgen op een aantal duurdere typen gemonteerd. Op bepaalde typen konden vanaf 1920 al roestvrijstalen velgen worden gemonteerd.

Naven
· In de beginjaren werden de basismodellen uitgerust met doortrapnaven. Tegen meerprijs was een vrijwielnaaf (aanvankelijk van het merk Rotax) leverbaar; vanaf ca. 1915 werd de vrijwielnaaf standaard.
· Tegen (flinke) meerprijs waren remnaven (Rotax vanaf 1908, Torpedo vanaf 1916) en SA- drieversnellingsnaven leverbaar.
· Van 1958 tot 1965 monteerde Gazelle een zelfontwikkelde drieversnellingsnaaf op de duurdere modellen. De afstanden tussen de drie versnellingen lagen wat minder ver uit elkaar dan bij de SA-naaf, aangepast aan het winderige Nederlandse weer. De bediening van deze naaf gebeurde door een draaibaar handvat, waarbij de kabel door het stuur werd geleid (een tamelijk kwetsbare constructie).
· Kogellagers in naven (en brackets) werden vanaf 1912 op model 12 gemonteerd.
· In de naven was tot ca. 1930 ”GAZELLE” ingeslagen; in de jaren daarna verandert het lettertype en ontbreken de aanhalingstekens.

Remmen
· Naast remnaven werden tot 1930 veelal velgremmen met stangbediening toegepast; op de hoeven stond de naam Gazelle ingeslagen.
· In 1929 komt Gazelle met een zelfontwikkelde trommelremnaaf, die tot op heden wordt gevoerd (met modificaties); deze trommels werden met een stangensysteem bediend.

Cranks/kettingwiel
· Het kettingwiel bevat tot 1912 een aantal niervormige gaten, gecombineerd met grotere en kleinere cirkels; vanaf 1912 verschijnt het kettingwiel met de letters GAZELLE; dit zou tot begin jaren ’30 worden gevoerd en daarna vervangen door het wiel met de vijf Gazellen.
· Op de cranks is tot 1940 het opschrift ‘Gazelle’ ingeslagen; vanaf dat jaar tot ca. 1970 uitgevoerd in hoofdletters.

Trappers
· Gazelle heeft vele soorten pedalen gemonteerd; in veel modellen stond de merknaam in het rubber (tot begin jaren zestig); de damespedalen zijn een tijd lang in wit rubber uitgevoerd.

Sturen
· Het klassieke hoogopgebogen stuur is het meest toegepast; vanaf de jaren twintig staat in het midden van het stuur de naam Gazelle ingestanst (op dezelfde wijzen als in de cranks en naven).
· De sturen werden vernikkeld, soms in combinatie met celluloid overtrokken uiteinden, en vanaf ca. 1931 verchroomd. Op de sportmodellen werden minder ‘stijve’ sturen gemonteerd. Op transportfietsen bredere.

Zadels
· Een groot aantal zadeltypen is gebruikt; tot de jaren ’40 veelal leren zadels, afkomstig van Lepper; vanaf de jaren twintig ook met de naam Gazelle in het leer.
· In de naoorlogse jaren worden nieuwe zadeltypen gebruikt, al dan niet met een leren dek (en veelal met een metalen plaatje Gazelle op de achterkant).

Balhoofdplaatje
· In de periode tot 1914 zijn wel drie soorten balhoofdplaatjes of transfers gebruikt. Vanaf 1914 verschijnt het model met het opschrift ‘Gazelle Arentsen & Kölling Dieren’. Dit wordt in 1925 vervangen door het ontwerp van André Vlaanderen (met zijn naam aan de onderzijde) dat tot op heden als beeldmodel nog wordt gebruikt (al meer dan 75 jaar dus!). Tot ca. 1948 was dit messing plaatje in reliëf uitgevoerd, daarna als glad blikken plaatje.

Sloten
· Tot 1924 werden ter plaatse van de bovenbalhoofdlug stuursloten gemonteerd, met de bedoeling om het stuur in een vaste stand te kunnen fixeren. De bediening gebeurde met een wieltje dat kon worden aangedraaid, later met een hendeltje.
· Gazelle monteerde tegen meerprijs diverse soorten beugelsloten; omstreeks 1956 wordt een zelfontwikkeld, verchroomd ringslot gemonteerd op vrijwel alle modellen, dat tot ca. 1965 stand zou houden. Spatborden
· Tot 1915 zaten op een aantal modellen korte voorspatborden.
· Tot ca. 1920 werden de spatborden met dubbele, massieve stangen aan het frame bevestigd.
· Tot ca. 1920 hadden de Gazelle spatborden een rond profiel; daarna ontstond de gewelfde vorm die tot in de jaren zeventig op de toermodellen werd gemonteerd; voor de sportmodellen waren de borden slanker en meer ‘rechthoekig’ van profiel.
· In de jaren ’50 en ’60 werden op het voorspatbord van een aantal modellen Gazelle-afbeeldingen aangebracht: de gestileerde metalen Gazelle en de plastic cirkel met daarin de Gazelle.

Banden
· Tot in de jaren dertig werden banden met het opschrift Gazelle gemonteerd; het betrof banden van Vredestein-fabrikaat; daarna zou Gazelle overwegend banden van dit merk blijven monteren.

Kettingkast
· Op de basismodellen in de jaren ’10 en ’20 werden geen kettingkasten aangebracht; op de duurdere modellen een moleskin of leren kast en op de duurste typen een (echte) oliebadkast.
· Van meet af aan is op de kettingkasten het opschrift Gazelle (in wisselende lettertypen) gevoerd.

Verlichting
· Vanaf 1929 komt Gazelle met eigen verlichtingsmerken te weten ELGA (Electrisch Licht Gazelle), Prico (Prima concurrentie) en Arko (Arentsen en Kölling). Het waren namen die door fabrikant Balaco uit Duitsland in opdracht werden geleverd; tot eind jaren vijftig werd verlichting alleen tegen meerprijs op de fietsen geleverd.
· Vanaf ca. 1940 werd op de duurdere modellen meestal Nordlicht-verlichting (Zwitsers) tegen meerprijs geleverd. Na 1960 zou dit merk tot ver in de jaren ’80 worden gemonteerd.
· Vanaf eind jaren ’50 tot begin jaren ’60 worden ook wel koplampen met inslag Gazelle gemonteerd; deze waren ook van Zwitsers fabrikaat.
· Vanaf 1939 wordt op de duurste modellen het aangesoldeerde achterlicht geleverd, dat tot eind jaren ’60 in de oorspronkelijke vorm gehandhaafd zou blijven en Gazelle-fietsen al vanaf grote afstand herkenbaar maakt.

Overig
· Ook op losse onderdelen zoals de bellen en de pompjes komt de merknaam voor; in de vorkkroonhulzen verschijnen in de jaren ’50 en ’60 op de sportmodellen uitsnedes van de Gazelle-kop.

Bijlage

Nummering Gazelle-frames (verkorte lijst):

1903 7.543
1916 100.000
1924 200.000
1929 300.000
1932 400.000
1937 500.000
1940 600.000
1947 700.000
1950 800.000
1951 900.000
1954 1.000.000
1960 1.500.000
1966 2.000.000
1970 2.500.000
1973 3.000.000
1990 8.000.000
2002 12.000.000 (schatting)

Vanaf nummer 187.227 wordt de naam Gazelle in de onderbalhoofdlug ingeslagen (tot in de jaren ’80).



De reclame

Gazelle heeft een rijke traditie op het gebied van reclame en marketing. De start van deze traditie ligt in feite al in het jaar 1895 toen Arentsen en Kölling deelnamen aan de toenmalige RI te Amsterdam (de voorloper van de huidige RAI, maar toen nog alleen voor fietsen). Men showde toen de importfietsen die werden verkocht en presenteerde zich al doende professioneel aan de afnemers. Sindsdien is reclame een onverbrekelijk element in de marketingstrategie van het Dierense bedrijf. In deze bijdrage gaan we wat nader in op de marketinginstrumenten van Gazelle. Daarbij dient vermeld te worden dat de Velorama- boekjes over André Vlaanderen en Piet Pelle als belangrijke bronnen hebben gediend.

Piet Pelle
In 1912 ontwierp tekenaar Ko Doncker de stripfiguur Piet Pelle, die na 90 jaar nog steeds ten tonele wordt gevoerd. Het gaat om een Hollands jongetje dat met zijn Gazelle-fiets de meest onwaarschijnlijke avonturen beleeft. Voorwaar een prachtige marketingvondst, want niet alleen had men een prachtige slagzin te pakken (‘Piet Pelle op zijn Gazelle’), maar ook sprak deze creatie tot de verbeelding van veel jeugdigen, die hun ouders naar de Gazelle-dealers wisten te leiden. Vanaf het begin zijn kleine, gratis boekjes verschenen met de avonturen van Piet. Deze vonden gretig aftrek onder de jeugd en zijn ook nu nog (zeker in originele vorm) een gewild verzamelobject.
De stripfiguur werd ook gebruikt in grote uitsnedes (voor in de etalage), op posters en als hoofdfiguur in een film (1930).
Het jeugdmodel van Gazelle heeft altijd de typenaam Piet Pelle gehad en daarmee een grote naamsbekendheid gekregen en gehouden.
Piet Pelle kan zonder meer een begrip worden genoemd in de marketing van de Nederlandse fiets. Begin jaren zestig werden nog twee nieuwe verhalen getekend door Guus Boissevain, met tekst van Kees Stip.

André Vlaanderen
Was Piet Pelle het beeldmerk van de populaire kant van Gazelle, de meer serieuze productpromotie kwam voor rekening van grafisch kunstenaar André Vlaanderen. Hij kwam in 1914 te werken voor het bedrijf en zou dit met enige tussenpozen tot 1953 blijven doen. In die periode is hij in belangrijke mate de vormgever geweest van alle serieuze reclame-uitingen van het bedrijf, variërend van prijscouranten, advertenties in de vakpers, posters en - last but not least - het handelsmerk van de firma, het balhoofdplaatje. Dit plaatje ontstond in 1924 en is tot op de dag van vandaag in principe ongewijzigd gebleven. Het plaatje is ontworpen in een stijl die verwant is aan de Art Deco, die Vlaanderen bijzonder moet hebben aangesproken, aangezien al zijn werk daarvan kenmerken vertoont. Er zijn weinig fietsmerken die al bijna 80 jaar hetzelfde beeldmerk voeren. In de periode voorafgaand aan het nieuwe beeldmerk voerde Gazelle nog een viertal andere balhoofdplaatjes, maar deze zijn slechts in kleine aantallen gemaakt gezien de toenmalige productieaantallen (en daarmee op dit moment zeldzaam en gewild!).
De prijscouranten van Gazelle hebben een zekere artistieke waarde door het unieke omslag dat Vlaanderen ieder jaar weer wist te maken.
De advertenties, met name voor de ANWB Kampioen, waren vaak in de vorm van beeldverhalen gesteld, met de bedoeling het vertrouwen van het algemene publiek te winnen. In de jaren ’10 en ’20 heeft Vlaanderen ruim 500 advertenties, vaak van een halve pagina groot, voor dit blad vervaardigd. Ook deze reclame-uitingen zijn vaak van behoorlijk artistiek niveau en nog steeds gewild bij verzamelaars.
Vlaanderen vervaardigde ook een twintigtal promotieboekjes, die gratis werden weggegeven in de jaren ’20 en ’30. Het betrof uiteenlopende verhaaltjes, die steeds de kwaliteit van het Gazelle-product als thema hadden.

Overige reclamevormen
Gazelle had een groot aantal dealers in den lande. Speciaal voor deze groep was er een apart blad, Gazelle Post, waarmee de communicatie naar deze categorie sleutelfiguren werd onderhouden. Regelmatig werden de dealers ook in de gelegenheid gesteld de fabriek te bezoeken. Regionale vertegenwoordigers onderhielden de contacten met de dealers. Er was sprake van een redelijk sterke binding tussen fabriek en wederverkopers. In combinatie met een goede service vanuit de fabriek heeft deze ‘dealerbinding’ zeker bijgedragen tot het succes van het merk.
Voor de Gazelle-winkels is altijd specifiek display-materiaal beschikbaar geweest. Genoemd zijn reeds de posters en de Piet Pelle-figuren. Daarnaast waren er ook meer algemene reclameborden, -lichtbakken en kleiner materiaal als vlaggetjes. Bekend is ook de uniforme styling aan de buitenzijde van de Gazelle-verkooppunten. Al deze middelen hebben bijgedragen aan de herkenbaarheid van het merk.
Tenslotte noemen we nog de eigen Gazelle-onderdelen die tot op de dag van vandaag verkrijgbaar zijn, zoals bellen, asmoeren en schildjes voor het achterspatbord.



Portret van een verzamelaar: Meindert Moos

Inleiding
Niet veel clubleden zullen het Gazelle-museum van Meindert Moos uit Koog aan de Zaan kennen. Reden om een portret van deze verzamelaar en zijn collectie te schetsen.
Meindert (57) is derde generatie Gazelle-dealer aan de Raadhuisstraat in Koog, met de achtertuin grenzend aan de Zaan. Zijn grootvader startte in 1913 een rijwielzaak en was van meet af aan ook wederverkoper van Gazelle. Meindert kwam in 1960 als zestienjarige in de zaak, nadat hij een paar maanden als volontair bij de Gazelle-fabriek had meegelopen en alle onderdelen van het bedrijf had leren kennen. Sinds 1989 heeft hij een klein museum, waarvan de collectie nog steeds groeit.

Het museum
Meindert heeft altijd oog gehad voor mooie oude fietsen (en brommers). Samen met een vriend restaureert hij al vele jaren. Toen hij het nieuwe pand tegenover de rijwielzaak kon verwerven, kon hij zijn basiscollectie daarin kwijt. Op de vraag waarom hij een museum is begonnen geeft Meindert aan dat hij niet alleen zijn vak interessant vindt, maar ook belangstelling heeft voor zaken met historische waarde. Daarnaast is hij letterlijk opgegroeid met Gazelle en vindt dit het beste fietsmerk van vaderlandse bodem. Geboeid is hij door de ontwikkeling van de modellen van Gazelle door de jaren heen. Door de aard van het bedrijf is er relatief veel oud materiaal aanwezig gebleven. Meindert is, zoals hij zegt, een ‘echte Gazelle-man’.
Het museum herbergt een kleine 50 fietsen, waarvan het merendeel Gazelle. Naast een aantal klassieke dames- en herenmodellen, zijn er 4 kruisframes, 3 tandems, een transportfiets, een 8V en een aantal kinderfietsen van Dierense makelij te bewonderen. Interessant zijn ook de vier Gazelle-bromfietsen, waarvan er relatief weinig zijn gemaakt. Verder is er een Union Strano, een aantal legerfietsen (o.a. BSA), een fraaie Amerikaanse baanfiets van rond 1900 en een replica hoge bi.
Minstens zo interessant als de fietsen is de grote collectie onderdelen, waaronder veel origineel Gazelle-materiaal. Blikvangers in het museum zijn de fraaie Gazelle-posters, wandborden en etalagemateriaal.
Alles goed zichtbaar en fraai belicht tentoongesteld.

Topstuk
Gevraagd naar zijn meest waardevolle item laat Meindert een herenfiets uit 1934 zien, zonder veel bijzondere kenmerken. Het balhoofdplaatje vermeldt ‘Rapide, W.C. Moos, Koog aan de Zaan’ en dit verklaart zijn binding met deze fiets. Het is een van de modellen die zijn grootvader destijds zelf heeft gemaakt (inclusief framebouw). Hier blijkt dat vooral de achtergrond van een historisch object voor de verzamelaar de waarde bepaalt. Ook een klein kinderfietsje (merk onbekend) heeft voor Meindert een bijzondere waarde, doordat de restauratie zeven maanden in beslag heeft genomen.
Een uniek stuk is de oorkonde ter gelegenheid van de 200.000ste Gazelle in 1924, gemaakt door André Vlaanderen. Erg in zijn sas is Meindert ook met het ontwerp van een van de Piet Pelle-boekjes, eveneens van Vlaanderen, uit 1934. Zijn oudste folder is van 1924. Van de afbeelding op de voorzijde (onder andere een gestileerde gazelle) bezit hij ook een soort van diaplaat. Unieke objecten, die ook niet in Velorama of Dieren te vinden zijn.
Op de vraag wat hij nog zoekt, laat Meindert weten vooral uit te kijken naar originele Gazelle-prijscouranten, die relatief zeldzaam blijken te zijn. Als er nog clubleden met interessant materiaal zijn, kunnen zij zich met Meindert in verbinding stellen (ook ruil is mogelijk).
Ondanks de omvang en breedte van de collectie kijkt Meindert altijd uit naar dingen die hij nog niet heeft. Hoewel er in de werkplaats nog maar weinig oud materiaal binnen komt, vindt hij op de beurzen die hij bezoekt vaak nog wel onderdelen die hij kan gebruiken. Zo nu en dan krijgt hij vanuit de club interessant materiaal aangeboden. Zoals onlangs een Gazelle Sport Populair uit 1960 met de Gazelle-drienaaf en versteller in het handvat. Andere recente aanwinsten zijn een kruisframe (kleur antraciet, 65 cm frame) uit 1958 en een 8V (het lage kruisframe) uit 1947, die thans grondig wordt gerestaureerd.
Langzaam maar zeker raakt het museum vol en groeit de behoefte aan een tweede ruimte.

Openstelling
Eigenlijk is de term museum niet helemaal correct, want de privé-verzameling van Meindert kent geen vaste openingstijden. De collectie is alleen op afspraak te bezoeken maar niet op werktijden, want dan vraagt de zaak de aandacht. Meindert is wel bereid kleine groepen te ontvangen (bijvoorbeeld leden van de club), maar ook dan alleen op afspraak.
Voor de echte Gazelle-liefhebber zeker een aanrader!
“Un atleta belga al cento per cento": Jef Demuysere gezien door een Italiaanse bril


Dries Vanysacker

Wervik, Nationaal Tabaksmuseum, 3 mei 2007

ter gelegenheid van feestelijke opening van de tentoonstelling "Straffen toebak op twee wielen: Jef Demuysere en de Giro d'Italia"



"Solo! Een renner heeft allen ter plekke gelaten op de Capo Berta, zette zijn eerste tien meters voorsprong op de top om in een honderdtal en liet zich als een bolide door de steile bochten naar Imperia vallen, om gaandeweg op een onweerstaanbare manier zijn voorsprong met onuitputtelijke kracht en volharding verder uit te bouwen. Twee anderen, de Italianen Cazzulani en Camusso, die alles hadden gegeven in de eerste meters van het dramatische en beslissende duel op de Capo Berta konden niet voldoende reageren op de duivelse galop van een Belg. Die Demuysere Jef uit Wervik heeft immers een typische rijstijl van de renner die weet dat hij in de spurt geklopt wordt en dus enkel de kaart kan trekken van een korte, zenuwachtige vlucht, gekenmerkt door intense krachtinspanningen en ritmeveranderende pedaalslagen. Met die brutale krachtexplosies doet hij de tegenstand barsten en sleurt hij alles mee als een losgeslagen rukwind. Demuysere een wegrenner met karakter - "Demuysere ha la castagna" -, een vechter met een ruwe maar o zo efficiënte pedaalslag, volledig gesteund op zijn rechter been, beledigt elke norm van mooie stijl. Maar hij, met zijn typische kop met schaarse en gekroesde blonde haren en bloedrood bezweet gezicht waarin zeer heldere ogen blinken, is de winnaar van de 27ste Milano-Sanremo en na 20 jaar van Italiaanse successen heeft een 'straniero' de "classicissima" weer op zijn naam geschreven, zij het op een stalen ros van Italiaanse makelij, genoemd naar een vroegere winnaar van de Primavera: Ganna."



Vergis je niet, aan het woord is niet ons aller Karel Van Wijnendaele, maar diens Italiaanse alter ego, Emilio Colombo, directeur van de roze “Gazzetta dello Sport”, organisator van de Giro en vereeuwigd in de Trofee Desgrange-Colombo, de verre voorloper van de ProTour. Een man met kennis van zaken dus en met een al even maniëristische schrijfstijl als 'Koarle'.



In een 24 pagina's lang artikel geïllustreerd met 42 foto's geschreven voor de Girostart van 1935, gaat de Italiaan Colombo op zoek naar de renner en de mens Demuysere, diens hoogtepunten en mislukkingen, en naar de diepere redenen waarom een kampioen als hij nooit een grote ronde won. Het is een prachtig overzicht van Demuyseres wielercarrière, maar bovenal een wielerethnografisch werkstuk, een kijk van een Italiaanse journalist op een bonkige Vlaamse Belg die het de Italiaanse helden als Guerra, Pesenti, Olmo, Binda en Bartali knap lastig maakte op de wielerwegen. Een visie doorspekt met veelzeggende positienames, aandachtspunten en details, maar met evenveel clichés. Eén ding is zeker: Jef Demuysere sprak de Italianen aan en Colombo was een tifo, een grote fan van hem, maar dit nam - zoals hij het zelf schrijft - niet weg dat hij niet blind was voor de Belg zijn tekortkomingen.



Het spreekt voor zich dat de volledige tekst in dit bestek ons hier te ver zou leiden, vandaar dat ik me beperk tot een paar opvallende uitspraken die aantonen hoe de Italianen temidden van hun leefwereld in een fascistische staat halfweg de jaren 1930 de Belg en Vlaming Jef percipieerden:



De mens Jef:

-Vooreerst schuilt er achter de ruwe granieten wilde renner een warme eenvoudige en goede mens: "Jef - verkleinvorm van Jozef, dit wil zeggen Giuseppe (aldus Colombo), de razende strijder van de meeslepende aanvallen en van de opvliegende pedaalslag - de leeuw van Vlaanderen of nog de stier van Wervik genaamd - is de rustigste man die we ooit ontmoet hebben. Eens van de fiets is niets meer van zijn vreselijk gezicht, noch van zijn woeste blik in zijn ogen te bespeuren. Integendeel: toen hij zegevierend in de Primavera over de meet omstuwd werd door opdringerige fans en reporters liet hij allen en alles begaan. Dronken van vreugde brabbelde hij tussen een nauwelijks tiental woorden Italiaans vooral in het Frans: “Oui, très content. Grande victoire. Ma femme, mes petites! Een fiere echtgenoot en vader van twee dochters. En mocht hij niet in rennerstenue gestaan hebben dan haalde hij gegarandeerd zijn portefeuille boven met foto’s van zijn geliefden die die avond, daar ver weg van Sanremo en toch steeds dichtbij, zouden genieten van diezelfde vreugde. Ook enkele foto’s tonen Demuysere in zijn geliefkoosde ontspannen habitat: Jef temidden zijn volière, samen met zijn vrouw en kinderen in de tuin van zijn villa en Jef die zijn dochters Nelly en Françoise fietsles geeft. Opmerkelijk is dat Colombo thuis is in de geografische en linguistische eigenaardigheden van Wervik: “Het geboortedorp van Jef bevindt zich pal op de Franse grens. De Leie splitst het zelfs in een Franstalig [Wervicq-Sud] en een Vlaamstalig gedeelte en vandaar ook zijn twee schrijfwijzen en fonetisering van zijn familienaam: Demuysere [Demuzzere] en Demuysère [Demuiesere].” Colombo voegt er fijntjes aan toe dat hij voor de Vlaamse versie kiest, zonder evenwel positie te kiezen in de fameuze kwestie van talen, gewoonten en nationaliteiten die zich daar in het noorden afspelen…



- “Net als alle grote kampioenen is Jef ijdel en dat uit zich in eenvoudige onbevangen vormen. Hij houdt enorm aan en van een overwinning en rijdt voor zijn eer en die van zijn familie. Vandaar dat hij ook uiterst gevoelig is voor lof en wat men over hem zegt en schrijft.” Toen hij Colombo die het verslag doorstuurde naar “De Sportwereld” later op de avond na zijn succes in de Primavera in 1934 weer tegen het lijf liep vroeg hij hem onmiddellijk wat ze hadden gezegd in Brussel. Vandaar waren in de ogen van de Italiaan de vaak rondgestrooide praatjes over de omkoopbaarheid en de commerciêle vaardigheden van Demuysere die in Tours en Giro’s zou grosseren, absoluut ongeloofwaardig: “Demuysere, net hij die de meest lichtgeraakte en hevigste strijder is die we ooit over de wegen van Europa hebben zien pedaleren, zou verzaken aan die topoverwinningen waarvoor hij dag na dag zijn ziel uit zijn lichaam fietst, om enerzijds zijn dierbaren gelukkig te maken en anderzijds weer een mooi artikel in de krant te laten schrijven? Neen! Die fameuze leeuw verandert niet plots in een schaap omdat men zijn klauwen heeft geknipt of hem heeft getemd met bankbriefjes.” De echte reden ligt op een ander vlak, aldus Colombo, maar daar komen we straks op terug.



- Demuysere heeft volgens Colombo zin voor nationale geschiedenis en trots van een land: zo gaat hij na zijn Primaverazege in 1934 een bloemenruiker die de zangeres Gilda Della Rizza van het Casinotheater van Sanremo aan hem geschonken heeft op het Graf van de gesneuvelden leggen. Een jaar eerder toen hij als rozetruidrager met de fascistische liktorenbundel op de borst was getooid, had Jef bij de start van een Giro-etappe aan Colombo een bos rozen gegeven om over de Piave, de rivier van de 'overwinning' in de Italiaans-Oostenrijkse strijd, te gooien. Bewust of onbewust gedirigeerd door het regime dat graag een internationaal klankbord aangreep? We weten het niet. Het zegt wellicht meer over de Italiaanse journalist in dienst van een bepaald regime die het belangrijk vond het te noteren, dan over de pedalerende Belg .



De renner Demuysere

- Colombo constateert dat de context waarin Demuysere opgroeide hem voorbestemd heeft tot de wielersport: vooreerst had Jef het als kleine jongen niet gemakkelijk: op 8 jarige leeftijd verloor hij zijn vader en Jef moest al vroeg in zijn eigen levensonderhoud voorzien als witter, kladschilder. De Italiaan mijmert: “Hoeveel wielerkampioenen zijn niet afkomstig uit de bouwsector? Ganna, Belloni, Bottecchia, Guerra, Binda, Demuysere!”. Dat Jef de fiets gebruikte als vervoermiddel zal zeker meegespeeld hebben tot het ontdekken van zijn talent. Voorts kon hij moeilijk de verleiding hebben weerstaan in een regio op luttele kilometers van Roubaix en Rijsel, waar een uitzonderlijke concentratie aan wielerkampioenen en illustere wedstrijden en tradities in die sport aanwezig was.

- Dat Colombo een gedetailleerd overzicht van Demuyseres wielercarrière van bij de beginnelingen in 1924 tot aan de vooravond van de Giro 1935 geeft, wijst op een grote kennis en interesse, en zelfs op een zekere “verliefdheid”, zoals hij het zelf schrijft. We kunnen hier enkel uit besluiten dat Demuysere heel wat indruk moet hebben gemaakt op de Italiaan, want om als buitenlander zo gevolgd te worden wil al iets zeggen.

- Demuyseres sportief karakter wordt benadrukt. Ja, hij gaat de strijd tot het uiterste aan; ja, hij valt op een bijna naïeve manier coalities aan; ja, hij blijft terugvechten na verschrikkelijke inzinkingen; ja, hij gaat een akkoord aan met Pesenti tegen Magne. Maar wanneer hij na een kilometer lang man tegen man gevecht weer ingelopen wordt door tegenstanders, zoals ook Pesenti, dan geeft hij heel ostentatief een handdruk van erkenning en waardering. Net zoals hij zijn neus niet ophaalde om als perfecte lokomotief rappere ploegmakkers naar zeges te loodsen. Een sportman puur sang.

- Jef heeft ook een grote portie ongeluk gekend: lekke banden, fietsbreuken, valpartijen, kwetsuren aan pols en dijen en inzinkingen. Vooral sinds zijn prachtige zege in de Primavera ging het in de seizoenen 1934 en 1935 van kwaad naar erger. De gevoelsmens moest vaak wenend in de volgauto stappen, maar vocht evenveel terug.



- Maar laten we terugkeren op de vraag waarom volgens Colombo de Wervikaan nooit een grote ronde heeft gewonnen:

- Het antwoord is volgens de Italiaan simpel: “Demuysere is een schoolvoorbeeld van een sanguinistisch type, de volbloed die beweeglijk, nerveus op zijn fiets zit, zeer kwistig omgaat met zijn enorme fysieke krachten, de ene aanval na de andere lanceert, met tussenpozen demarreert en eigenlijk blijft demarreren, en dan ook op de meest onverwachte momenten en vooral bij hitte ongelooflijke inzinkingen krijgt, waardoor alle hoop op eindzeges dienen opgeborgen”.

- ““Essere cotto” is een gezegde dat Demuysere op het lijf geschreven staat: hoeveel keren zagen we hem onder een loden hitte in de zomerse ronden niet druipen van het zweet als een fontein. Met de hitte reduceerde zich het rendement van die fantastische atleet met 50%. Wat een contradictie met zijn prestaties tijdens koude, wind en regen. Dan zie je de driftkop losbarsten die alles dooreenschudt, versplintert. Dan zie je zelfs de allersterksten met hun tong uit de mondhoeken om het wiel te kunnen houden van die bezetene uit Wervik die zijn hoofd verbergt op zijn stuur en pas kilometers verder opricht om te zien hoeveel er nog in zijn spoor overgebleven zijn. Bovendien zijn al zijn belangrijkste zeges, zoals de ritten Charlesville-Malo uit de Tours van 1931 en 1932, alsook de verdienstelijke prestaties in de ritten Foggia-Napels en Turijn-Genua van de Giro’s van 1932 en 1933 in slechte weersomstandigheden gebeurd. Ook Milaan-Sanremo van 1934 ging door onder frisse temperaturen tengevolge van een nachtelijke storm”, aldus nog steeds Colombo.

- "Buiten Thys, Lambot en Scieur, die eigenlijk a-typische, beredeneerde Belgen waren die de Tour wonnen, en Defraye die de uitzondering is die de regel bevestigt, was Demuysere als renner een man met gaven en gebreken, een man der uitersten. Een coureur die de koers steeds kruidde, van wie je zowiezo wist dat hij iets ging ondernemen, maar van wie je ook moet zeggen dat hij vaak meer met de benen dan met het hoofd koerste".

- “Un atleta belga al cento per cento”, die niet alleen een Italiaanse topjournalist maar ook het Italiaanse wielerpubliek in de jaren 1930 meer dan charmeerde. Je moet het maar doen! "Grazie Jef!"
“Un atleta belga al cento per cento" Tekst van de lezing die
Dries Vanysacker op 3 mei 2007 hield bij de opening van tentoonstelling rond Demuysere te wervik (tabaksmuseum)

“Un atleta belga al cento per cento": Jef Demuysere gezien door een Italiaanse bril


Dries Vanysacker

Wervik, Nationaal Tabaksmuseum, 3 mei 2007

ter gelegenheid van feestelijke opening van de tentoonstelling "Straffen toebak op twee wielen: Jef Demuysere en de Giro d'Italia"



"Solo! Een renner heeft allen ter plekke gelaten op de Capo Berta, zette zijn eerste tien meters voorsprong op de top om in een honderdtal en liet zich als een bolide door de steile bochten naar Imperia vallen, om gaandeweg op een onweerstaanbare manier zijn voorsprong met onuitputtelijke kracht en volharding verder uit te bouwen. Twee anderen, de Italianen Cazzulani en Camusso, die alles hadden gegeven in de eerste meters van het dramatische en beslissende duel op de Capo Berta konden niet voldoende reageren op de duivelse galop van een Belg. Die Demuysere Jef uit Wervik heeft immers een typische rijstijl van de renner die weet dat hij in de spurt geklopt wordt en dus enkel de kaart kan trekken van een korte, zenuwachtige vlucht, gekenmerkt door intense krachtinspanningen en ritmeveranderende pedaalslagen. Met die brutale krachtexplosies doet hij de tegenstand barsten en sleurt hij alles mee als een losgeslagen rukwind. Demuysere een wegrenner met karakter - "Demuysere ha la castagna" -, een vechter met een ruwe maar o zo efficiënte pedaalslag, volledig gesteund op zijn rechter been, beledigt elke norm van mooie stijl. Maar hij, met zijn typische kop met schaarse en gekroesde blonde haren en bloedrood bezweet gezicht waarin zeer heldere ogen blinken, is de winnaar van de 27ste Milano-Sanremo en na 20 jaar van Italiaanse successen heeft een 'straniero' de "classicissima" weer op zijn naam geschreven, zij het op een stalen ros van Italiaanse makelij, genoemd naar een vroegere winnaar van de Primavera: Ganna."



Vergis je niet, aan het woord is niet ons aller Karel Van Wijnendaele, maar diens Italiaanse alter ego, Emilio Colombo, directeur van de roze “Gazzetta dello Sport”, organisator van de Giro en vereeuwigd in de Trofee Desgrange-Colombo, de verre voorloper van de ProTour. Een man met kennis van zaken dus en met een al even maniëristische schrijfstijl als 'Koarle'.



In een 24 pagina's lang artikel geïllustreerd met 42 foto's geschreven voor de Girostart van 1935, gaat de Italiaan Colombo op zoek naar de renner en de mens Demuysere, diens hoogtepunten en mislukkingen, en naar de diepere redenen waarom een kampioen als hij nooit een grote ronde won. Het is een prachtig overzicht van Demuyseres wielercarrière, maar bovenal een wielerethnografisch werkstuk, een kijk van een Italiaanse journalist op een bonkige Vlaamse Belg die het de Italiaanse helden als Guerra, Pesenti, Olmo, Binda en Bartali knap lastig maakte op de wielerwegen. Een visie doorspekt met veelzeggende positienames, aandachtspunten en details, maar met evenveel clichés. Eén ding is zeker: Jef Demuysere sprak de Italianen aan en Colombo was een tifo, een grote fan van hem, maar dit nam - zoals hij het zelf schrijft - niet weg dat hij niet blind was voor de Belg zijn tekortkomingen.



Het spreekt voor zich dat de volledige tekst in dit bestek ons hier te ver zou leiden, vandaar dat ik me beperk tot een paar opvallende uitspraken die aantonen hoe de Italianen temidden van hun leefwereld in een fascistische staat halfweg de jaren 1930 de Belg en Vlaming Jef percipieerden:



De mens Jef:

-Vooreerst schuilt er achter de ruwe granieten wilde renner een warme eenvoudige en goede mens: "Jef - verkleinvorm van Jozef, dit wil zeggen Giuseppe (aldus Colombo), de razende strijder van de meeslepende aanvallen en van de opvliegende pedaalslag - de leeuw van Vlaanderen of nog de stier van Wervik genaamd - is de rustigste man die we ooit ontmoet hebben. Eens van de fiets is niets meer van zijn vreselijk gezicht, noch van zijn woeste blik in zijn ogen te bespeuren. Integendeel: toen hij zegevierend in de Primavera over de meet omstuwd werd door opdringerige fans en reporters liet hij allen en alles begaan. Dronken van vreugde brabbelde hij tussen een nauwelijks tiental woorden Italiaans vooral in het Frans: “Oui, très content. Grande victoire. Ma femme, mes petites! Een fiere echtgenoot en vader van twee dochters. En mocht hij niet in rennerstenue gestaan hebben dan haalde hij gegarandeerd zijn portefeuille boven met foto’s van zijn geliefden die die avond, daar ver weg van Sanremo en toch steeds dichtbij, zouden genieten van diezelfde vreugde. Ook enkele foto’s tonen Demuysere in zijn geliefkoosde ontspannen habitat: Jef temidden zijn volière, samen met zijn vrouw en kinderen in de tuin van zijn villa en Jef die zijn dochters Nelly en Françoise fietsles geeft. Opmerkelijk is dat Colombo thuis is in de geografische en linguistische eigenaardigheden van Wervik: “Het geboortedorp van Jef bevindt zich pal op de Franse grens. De Leie splitst het zelfs in een Franstalig [Wervicq-Sud] en een Vlaamstalig gedeelte en vandaar ook zijn twee schrijfwijzen en fonetisering van zijn familienaam: Demuysere [Demuzzere] en Demuysère [Demuiesere].” Colombo voegt er fijntjes aan toe dat hij voor de Vlaamse versie kiest, zonder evenwel positie te kiezen in de fameuze kwestie van talen, gewoonten en nationaliteiten die zich daar in het noorden afspelen…



- “Net als alle grote kampioenen is Jef ijdel en dat uit zich in eenvoudige onbevangen vormen. Hij houdt enorm aan en van een overwinning en rijdt voor zijn eer en die van zijn familie. Vandaar dat hij ook uiterst gevoelig is voor lof en wat men over hem zegt en schrijft.” Toen hij Colombo die het verslag doorstuurde naar “De Sportwereld” later op de avond na zijn succes in de Primavera in 1934 weer tegen het lijf liep vroeg hij hem onmiddellijk wat ze hadden gezegd in Brussel. Vandaar waren in de ogen van de Italiaan de vaak rondgestrooide praatjes over de omkoopbaarheid en de commerciêle vaardigheden van Demuysere die in Tours en Giro’s zou grosseren, absoluut ongeloofwaardig: “Demuysere, net hij die de meest lichtgeraakte en hevigste strijder is die we ooit over de wegen van Europa hebben zien pedaleren, zou verzaken aan die topoverwinningen waarvoor hij dag na dag zijn ziel uit zijn lichaam fietst, om enerzijds zijn dierbaren gelukkig te maken en anderzijds weer een mooi artikel in de krant te laten schrijven? Neen! Die fameuze leeuw verandert niet plots in een schaap omdat men zijn klauwen heeft geknipt of hem heeft getemd met bankbriefjes.” De echte reden ligt op een ander vlak, aldus Colombo, maar daar komen we straks op terug.



- Demuysere heeft volgens Colombo zin voor nationale geschiedenis en trots van een land: zo gaat hij na zijn Primaverazege in 1934 een bloemenruiker die de zangeres Gilda Della Rizza van het Casinotheater van Sanremo aan hem geschonken heeft op het Graf van de gesneuvelden leggen. Een jaar eerder toen hij als rozetruidrager met de fascistische liktorenbundel op de borst was getooid, had Jef bij de start van een Giro-etappe aan Colombo een bos rozen gegeven om over de Piave, de rivier van de 'overwinning' in de Italiaans-Oostenrijkse strijd, te gooien. Bewust of onbewust gedirigeerd door het regime dat graag een internationaal klankbord aangreep? We weten het niet. Het zegt wellicht meer over de Italiaanse journalist in dienst van een bepaald regime die het belangrijk vond het te noteren, dan over de pedalerende Belg .



De renner Demuysere

- Colombo constateert dat de context waarin Demuysere opgroeide hem voorbestemd heeft tot de wielersport: vooreerst had Jef het als kleine jongen niet gemakkelijk: op 8 jarige leeftijd verloor hij zijn vader en Jef moest al vroeg in zijn eigen levensonderhoud voorzien als witter, kladschilder. De Italiaan mijmert: “Hoeveel wielerkampioenen zijn niet afkomstig uit de bouwsector? Ganna, Belloni, Bottecchia, Guerra, Binda, Demuysere!”. Dat Jef de fiets gebruikte als vervoermiddel zal zeker meegespeeld hebben tot het ontdekken van zijn talent. Voorts kon hij moeilijk de verleiding hebben weerstaan in een regio op luttele kilometers van Roubaix en Rijsel, waar een uitzonderlijke concentratie aan wielerkampioenen en illustere wedstrijden en tradities in die sport aanwezig was.

- Dat Colombo een gedetailleerd overzicht van Demuyseres wielercarrière van bij de beginnelingen in 1924 tot aan de vooravond van de Giro 1935 geeft, wijst op een grote kennis en interesse, en zelfs op een zekere “verliefdheid”, zoals hij het zelf schrijft. We kunnen hier enkel uit besluiten dat Demuysere heel wat indruk moet hebben gemaakt op de Italiaan, want om als buitenlander zo gevolgd te worden wil al iets zeggen.

- Demuyseres sportief karakter wordt benadrukt. Ja, hij gaat de strijd tot het uiterste aan; ja, hij valt op een bijna naïeve manier coalities aan; ja, hij blijft terugvechten na verschrikkelijke inzinkingen; ja, hij gaat een akkoord aan met Pesenti tegen Magne. Maar wanneer hij na een kilometer lang man tegen man gevecht weer ingelopen wordt door tegenstanders, zoals ook Pesenti, dan geeft hij heel ostentatief een handdruk van erkenning en waardering. Net zoals hij zijn neus niet ophaalde om als perfecte lokomotief rappere ploegmakkers naar zeges te loodsen. Een sportman puur sang.

- Jef heeft ook een grote portie ongeluk gekend: lekke banden, fietsbreuken, valpartijen, kwetsuren aan pols en dijen en inzinkingen. Vooral sinds zijn prachtige zege in de Primavera ging het in de seizoenen 1934 en 1935 van kwaad naar erger. De gevoelsmens moest vaak wenend in de volgauto stappen, maar vocht evenveel terug.



- Maar laten we terugkeren op de vraag waarom volgens Colombo de Wervikaan nooit een grote ronde heeft gewonnen:

- Het antwoord is volgens de Italiaan simpel: “Demuysere is een schoolvoorbeeld van een sanguinistisch type, de volbloed die beweeglijk, nerveus op zijn fiets zit, zeer kwistig omgaat met zijn enorme fysieke krachten, de ene aanval na de andere lanceert, met tussenpozen demarreert en eigenlijk blijft demarreren, en dan ook op de meest onverwachte momenten en vooral bij hitte ongelooflijke inzinkingen krijgt, waardoor alle hoop op eindzeges dienen opgeborgen”.

- ““Essere cotto” is een gezegde dat Demuysere op het lijf geschreven staat: hoeveel keren zagen we hem onder een loden hitte in de zomerse ronden niet druipen van het zweet als een fontein. Met de hitte reduceerde zich het rendement van die fantastische atleet met 50%. Wat een contradictie met zijn prestaties tijdens koude, wind en regen. Dan zie je de driftkop losbarsten die alles dooreenschudt, versplintert. Dan zie je zelfs de allersterksten met hun tong uit de mondhoeken om het wiel te kunnen houden van die bezetene uit Wervik die zijn hoofd verbergt op zijn stuur en pas kilometers verder opricht om te zien hoeveel er nog in zijn spoor overgebleven zijn. Bovendien zijn al zijn belangrijkste zeges, zoals de ritten Charlesville-Malo uit de Tours van 1931 en 1932, alsook de verdienstelijke prestaties in de ritten Foggia-Napels en Turijn-Genua van de Giro’s van 1932 en 1933 in slechte weersomstandigheden gebeurd. Ook Milaan-Sanremo van 1934 ging door onder frisse temperaturen tengevolge van een nachtelijke storm”, aldus nog steeds Colombo.

- "Buiten Thys, Lambot en Scieur, die eigenlijk a-typische, beredeneerde Belgen waren die de Tour wonnen, en Defraye die de uitzondering is die de regel bevestigt, was Demuysere als renner een man met gaven en gebreken, een man der uitersten. Een coureur die de koers steeds kruidde, van wie je zowiezo wist dat hij iets ging ondernemen, maar van wie je ook moet zeggen dat hij vaak meer met de benen dan met het hoofd koerste".

- “Un atleta belga al cento per cento”, die niet alleen een Italiaanse topjournalist maar ook het Italiaanse wielerpubliek in de jaren 1930 meer dan charmeerde. Je moet het maar doen! "Grazie Jef!"

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

Foto: Harrie Heinen (links) en Dries Vanysacker (rechts).
Menzo Sports Magazine 115: Special veldrijden.

SVEN NYS

De regerend Belgisch kampioen en tevens de ouderdomsdeken van de cyclocross heeft veel, zo niet alles aan zijn sport te danken. ´Door de cross ben ik een ander mens geworden´, geeft hij ruiterlijk toe.


ZDENEK STYBAR

De huidige wereldkampioen leidt ons rond in zijn niet minder dan indrukwekkende camper van ruim 200.000 euro. ´Gelukkig heb ik 'm niet zelf moeten betalen´, lacht de sympathiek Belgo-Tsjech. Ook Sven Nys en Klaas Vantornout ontvangen ons met open armen.


ROLAND LIBOTON

Het leven na de sport van deze cyclocrossende cultheld? Kort samengevat: 12 stielen en 13 ongelukken. ´Ik heb op de markt gestaan met een kippenkraam, ik heb in de bouw gewerkt als bekister, bij de nachtploeg van Nike in Laakdal, als vrachtwagenchauffeur, als cafébaas,... Te veel om op te noemen eigenlijk.´

BRIGITTE DE VLAEMINCK

De dochter van zevenvoudig wereldkampioen Erik De Vlaeminck getuigt op een pakkende manier over de dood van haar broer Geert. Hij was een getalenteerd veldrijder die begin jaren negentig stierf aan een hartaanval... tijdens een veldrit nota bene.


PAUL HERYGERS

De ex-wereldkampioen deelt nog maar eens een schouderklopje uit! En hoe! Hij selecteert en bespreekt de Masters of Veldrijden ofte de tien beste cyclocrossers aller tijden!

En verder onder meer: Paul Van Den Bosch, Alain Courtois, Garry Kasparov, Jelle Vanendert, Michael Walchhofer, Rustan Albulatov, het allesomvattende Wellness-ABC en de vaste column van Mart Smeets!
Menzo 116

Reportages

Dribbelkont Moussa Dembélé – also known as TiTa Tovenaar – maakt tegenwoordig het mooie weer bij het Londense Fulham FC waar hij in no time uitgroeide tot een publiekslieveling. “Voor ik naar hier kwam, wist ik al lang dat ik het niveau aankan.”

Wie het in Londen aandurft om te vragen wie de ploeg van ’t stad is, zou wel eens raar kunnen opkijken. De Engelse hoofdstad telt maar liefst veertien volwaardige profclubs. Wij bundelen ze in een even handige als unieke Boxing Day Special en gaan per club meteen ook op zoek naar de Belgische of Nederlandse link…

Toen tennisser Pat Rafter kwam aankloppen bij sportpsychologe Ann Quinn, was hij ervan overtuigd dat z'n 700ste plaats op de wereldranglijst het hoogste was wat hij kon bereiken. Met dokter Quinn aan z'n zijde, stootte hij in juli '99 door naar de nummer 1. “Zelfvertrouwen is aan te leren”, is niet voor niets een van haar credo's.

In 1988 won Wimbledon FC, een samenraapsel van afdankertjes, schoppers en hardlopers, tot afgrijzen van velen de FA Cup. Wij blikken terug op de glorieperiode van The Crazy Gang en de fratsen van jongens als Vinnie Jones, Lawrie Sanchez, Dennis Wise en manager Bobbie Gould.

Voor wie nog naarstig op zoek is naar wat inspiratie voor zijn verlanglijstje: ziehier een liefst vijftien bladzijden tellende Cadeauspecial met tal van must haves voor de man van nu. Van boeken en cd’s over tal van tips tot goede voornemens en het nieuwste op multimediaal vlak: de enige echte cadeauspecial voor mannen!

Regulars

Spiernaakt We pikken de draad van ons volkomen verantwoord sportief naakt weer op met triatlete Veerle D’Haese.

In onze reeks They’ll Never Walk Alone getuigt Hans-Peter Lehnhoff, dé absolute voetbalgod van Royal Antwerp FC, over die ene fatale woensdag in 2004 toen zijn 17-jarige dochter Saskia het leven liet in een verkeersongeval. Diezelfde avond won Bayer Leverküsen van Real Madrid met 3-0, een van de meest memorabele en beste wedstrijden ooit van de club van teammanager Lehnhoff. Bijzaak.

In Life After Sports vertelt Roger Van Gool hoe hij als eerste Belgische profvoetballer in de Engelse eerste klasse terechtkwam. Kort daarvoor schreef de Antwerpenaar als eerste miljoenentransfer ook al geschiedenis bij 1. FC Köln in de Bundesliga. Faut le faire!

Bodywork Gary Kagelmacher, centrale verdediger bij Germinal Beerschot, herstelt momenteel van een zware knieblessure bij topkinesist Lieven Maesschalck.

Wellness Het Franse badplaatsje Biarritz wordt wel eens La reine des plages et la plage des rois genoemd. Niet onlogisch. Tegenwoordig kun je je er als een koning of koningin laten verwennen in het Sofitel Thalassa Le Miramar.

Voeding Wat kun je tijdens het winters sporten best eten om warm te blijven?
118
Etappe. Magazine over historische fietshelden

NIEUW Vanaf 29 juni in het WieMu, 4 juli in je dagbladhandel

Met Etappe houdt het Wielermuseum een gedurfd nieuw wielermagazine boven de doopvont. Een wielermagazine als een rit. Geen proloog maar een heuse Etappe, doorspekt met verhalen die dieper graven dan het collectief geheugen en eigenzinnige uitgangspunten. Een etappe, gegoten in een smaakvolle vormgeving als een rit langs schilderachtige dorpjes, bevolkt met kleurrijke protagonisten.


Etappe # 1 brengt een waaier aan bijdragen (kortverhaal, reportage, interview, column,) over de Tour en haar Belgische Tourwinnaars. Neem Odiel Defraeye, geboren op een boogscheut en eeuwige chouchou van het nabijgelegen Wielermuseum. De borstelmaker presteerde het exact 100 jaar geleden als allereerste Belg de Ronde van Frankrijk te winnen. In Etappe maakt Defraeye een gesmaakte rentree. Odiel als posterboy en stripfiguur. De deelnemerslijst van Etappe oogt trouwens ronduit indrukwekkend. Voor dit eerste hoofdstuk in een ambitieuze reeks over historische fietshelden werden alle Belgische Tourwinnaars samengebracht:

> Thys en het mysterie van de allereerste gele trui
> merkwaardige Merckx-memorabilia
> La grande bouffe in La Grande Boucle
> Van Impe over de magie van de maillot jaune
> Florennes, dorp van twee Tourwinnaars
> (van) wie is Odiel, de eerste Belgische Tourwinnaar in 1912?

Etappe is een uitgave van het Wielermuseum te Roeselare

Etappe is vanaf 4 juli voor 7,95 euro verkrijgbaar in de betere perswinkel en in het WieMu (www.wiemu.be)

Info: 051 26 87 40
Donald Duck 1955 nummer 37
Uitgave Walt Disney

50 Raleigh-Fietsen Voor De Prijswinnaars

Prijsvraag met verhaalaankondiging in Donald

De geestelijk vader van Donald Duck is Walt Disney. Disney tekende in de jaren twintig van de 20e eeuw filmpjes voor verschillende tekenfilmmakers. Door zijn tekenkunst werd hij veel gevraagd als medewerker, maar het duurde altijd erg lang tot de filmpjes klaar waren. Te lang, omdat hij zo zorgvuldig was. Alles moest helemaal kloppen, voordat hij het goed vond. De extra tijd die hij nodig had, maakte zijn werk in het begin zo duur, dat niemand hem meer wilde hebben.
Walt Disney maakte in 1927 zijn eerste eigen filmpjes. Hij creëerde daarin Mickey Mouse, een tekenfilmfiguurtje dat zeer bekend zou worden. Donald Duck speelt in die eerste filmpjes nog niet mee. In 1934 vervaardigde Disney het filmpje The Wise Little Hen (De Wijze Kleine hen) waarin een bescheiden bijrol werd vervuld door de 'eigenzinnige' Donald Duck. Maar de brutale eend werd in korte tijd zo bekend, dat Walt Disney er het eerste geld voor zijn volgende films mee verdiende. En ook die werden steeds goed verkocht. Walt Disney begon een bedrijfje dat van toen af aan tekenfilms maakte. In het begin alleen over Donald Duck, maar later over bijna alles en iedereen. Als het maar niet over echte mensen ging.
Overigens is Donald Duck het grootste deel van zijn bestaan niet door Walt Disney getekend maar door een aantal anderen, waarvan Carl Barks de bekendste was. Na 1934 heeft Disney niet meer zelf getekend voor zijn tekenfilms. Zijn talent lag meer in het opzetten, organiseren en regisseren van de films. Wel eiste hij dat iedereen die eraan meewerkte niet zijn eigen naam onder het werk zou zetten, maar die van Disney.
Robbedoes
weekblad nr. 28
44ste jaar., 52 pag., 27 cm
uitgebracht in Belgie en Nederland

Binnen in dit robbedoes-nummer (pagina 28) een verhaal van Marc Wasterlain.
Titel: Dokter Zwitzer
Buitoni ... mmm ... Buonissimo! (Gratis reclame)

_______________________________

Marc Wasterlain wordt geboren op 29 juni 1946 in Erquelinnes.

Het stripvirus krijgt hem al snel te pakken. Hij verlaat de kunstacademie van Bergen om een stripcursus te gaan volgen aan de C.A.D. in Brussel.

Na twee jaar haalt hij zijn diploma en begint te werken bij Dino Attanasio, de tekenaar van "Johnny Goodbye". Hij bekwaamt zich in de decors en het inkten van "Ton en Tinneke" en meldt zich vervolgens in 1966 bij studio Peyo. Daar tekent hij de Smurfen, werkt mee aan een Steven Sterk en vervaardigt voor deze held ook de decors in Lady Adel Fine. In 1972 illustreert hij, in Robbedoes, "De Poussyclopedie", naar teksten van Yvan Delporte en een personage van Peyo.

Het stripweekblad Kuifje publiceert in 1971 zijn "Bob Moon et Titania", 2 humoristische SF-personages, en het buitengewoon poëtische "Monsieur Bonhomme". Wasterlain eigent zich met deze verhalen een persoonlijke stijl toe waarin een bijzondere mengeling van humor en fantasy de boventoon voeren. Zijn "Lapomme" verschijnt in het kortstondige Achille Talon Magazine.

In 1975 creëert Wasterlain voor dat andere grote stripmagazine, Robbedoes, de innemende "Dokter Zwitser". De avonturen van dit personage, een mengeling van poëzie, fantasie en magie worden al snel bij uitgeverij Dupuis in album uitgebracht. Deze reeks combineert de poëtische gril met de pure grap, het fantastische avontuur met de menselijke problemen, de ongebreidelde dieren-SF met het middeleeuwse rollenspel en getuigt zo van de persoonlijke zoektocht van de tekenaar en kunstenaar die Marc Wasterlain intussen is geworden. De reeks stopt in 1990 maar vindt een tweede adem vanaf 1995 bij uitgeverij Casterman. Wasterlain richt zich nu meer op de sprookjesachtige kant, met personages die tot de mythologie van de kindertijd behoren. Een thema dat ook opnieuw wordt aangesproken voor het knotsgekke en van spanning en avontuur bol staande album 'De lieveheersbeestjes', dat eind augustus 2010 op de Arcadia-lezer wordt losgelaten. Maar ook 2011 dient zich aan als een uitstekend Dokter Zwitser-jaar: 'de betoverde pompoenen', een album voorzien voor september 2011, staat garant voor een meeslepende tocht doorheen de fantasierijke wereld van Marc Wasterlain.

Wasterlain staat echter borg voor heel wat meer dan alleen maar de fantastische belevenissen van Dokter Zwitser. Hij lanceert hij in 1982 het personage van de journaliste "Sarah Spits", in een meer realistische stijl, met rijke verhaallijnen. Sarah is meer sympathiek dan sexy en staat dichter bij de actualiteit. Ze is een personage van vlees en bloed, omringd door vriend en vijand maar altijd betrokken bij ingewikkelde avonturen die ze zonder kleerscheuren doormaakt.

Wasterlain is niet alleen een begenadigd tekenaar; hij heeft ook scenario's geschreven voor Walthéry (in de serie "Natasja", waarvoor hij ook decors heeft getekend), Piroton ("Jess Long") en MiTacq ("De Beverpatroelje"). Verder publiceerde hij de humoristische serie "Gill et Georges" in Okapi in 1985 en zagen drie albums met grappen rond de mensachtige hond "Honnieponnie" het levenslicht bij Marsu-Productions vanaf 1990.
Robbedoes
weekblad nr. 28
44ste jaar., 52 pag., 27 cm
uitgebracht in Belgie en Nederland

Binnen in dit robbedoes-nummer (pagina 28) een verhaal van Marc Wasterlain.
Titel: Dokter Zwitzer
Buitoni ... mmm ... Buonissimo! (Gratis reclame)

_______________________________

Marc Wasterlain wordt geboren op 29 juni 1946 in Erquelinnes.

Het stripvirus krijgt hem al snel te pakken. Hij verlaat de kunstacademie van Bergen om een stripcursus te gaan volgen aan de C.A.D. in Brussel.

Na twee jaar haalt hij zijn diploma en begint te werken bij Dino Attanasio, de tekenaar van "Johnny Goodbye". Hij bekwaamt zich in de decors en het inkten van "Ton en Tinneke" en meldt zich vervolgens in 1966 bij studio Peyo. Daar tekent hij de Smurfen, werkt mee aan een Steven Sterk en vervaardigt voor deze held ook de decors in Lady Adel Fine. In 1972 illustreert hij, in Robbedoes, "De Poussyclopedie", naar teksten van Yvan Delporte en een personage van Peyo.

Het stripweekblad Kuifje publiceert in 1971 zijn "Bob Moon et Titania", 2 humoristische SF-personages, en het buitengewoon poëtische "Monsieur Bonhomme". Wasterlain eigent zich met deze verhalen een persoonlijke stijl toe waarin een bijzondere mengeling van humor en fantasy de boventoon voeren. Zijn "Lapomme" verschijnt in het kortstondige Achille Talon Magazine.

In 1975 creëert Wasterlain voor dat andere grote stripmagazine, Robbedoes, de innemende "Dokter Zwitser". De avonturen van dit personage, een mengeling van poëzie, fantasie en magie worden al snel bij uitgeverij Dupuis in album uitgebracht. Deze reeks combineert de poëtische gril met de pure grap, het fantastische avontuur met de menselijke problemen, de ongebreidelde dieren-SF met het middeleeuwse rollenspel en getuigt zo van de persoonlijke zoektocht van de tekenaar en kunstenaar die Marc Wasterlain intussen is geworden. De reeks stopt in 1990 maar vindt een tweede adem vanaf 1995 bij uitgeverij Casterman. Wasterlain richt zich nu meer op de sprookjesachtige kant, met personages die tot de mythologie van de kindertijd behoren. Een thema dat ook opnieuw wordt aangesproken voor het knotsgekke en van spanning en avontuur bol staande album 'De lieveheersbeestjes', dat eind augustus 2010 op de Arcadia-lezer wordt losgelaten. Maar ook 2011 dient zich aan als een uitstekend Dokter Zwitser-jaar: 'de betoverde pompoenen', een album voorzien voor september 2011, staat garant voor een meeslepende tocht doorheen de fantasierijke wereld van Marc Wasterlain.

Wasterlain staat echter borg voor heel wat meer dan alleen maar de fantastische belevenissen van Dokter Zwitser. Hij lanceert hij in 1982 het personage van de journaliste "Sarah Spits", in een meer realistische stijl, met rijke verhaallijnen. Sarah is meer sympathiek dan sexy en staat dichter bij de actualiteit. Ze is een personage van vlees en bloed, omringd door vriend en vijand maar altijd betrokken bij ingewikkelde avonturen die ze zonder kleerscheuren doormaakt.

Wasterlain is niet alleen een begenadigd tekenaar; hij heeft ook scenario's geschreven voor Walthéry (in de serie "Natasja", waarvoor hij ook decors heeft getekend), Piroton ("Jess Long") en MiTacq ("De Beverpatroelje"). Verder publiceerde hij de humoristische serie "Gill et Georges" in Okapi in 1985 en zagen drie albums met grappen rond de mensachtige hond "Honnieponnie" het levenslicht bij Marsu-Productions vanaf 1990.
Titel: L. A. confidentiel : les secrets de Lance Armstrong / Pierre Ballaster, David Walsh
Auteur: Pierre Ballester; David Walsh (1955-)
Jaar: 2004
Uitgever: [S.l.] : La Martiniere
Omvang: 374 p
Formaat: 21 cm
ISBN: 2-8467-5130-7
Trefwoord GOO: Wielersport, Doping (sport)

Dát is journalistiek: De 'slechtste journalist ter wereld' krijgt alsnog gelijk
NRC Handelsblad 20 oktober 2012

Kritische David Walsh verdacht Lance Armstrong altijd al van dopinggebruik. "Ik heb nooit getwijfeld."

VOLLEDIGE TEKST:
Eigenlijk was er maar één detail dat David Walsh nog schokte toen hij het Usada-rapport las over de wonderlijke wielerwereld van Lance Armstrong. De rest van het verhaal had hij jaren geleden al opgeschreven. Maar dat Armstrong eind jaren negentig zijn toenmalige vrouw Kristin pillen liet uitdelen onder de renners, dat was nieuw voor hem. ,,Ik had gedacht dat, net als bij de maffia, de boss zijn vrouw buiten de vuile zaakjes zou houden. Maar niet in het wielrennen."


David Walsh (57) is een druk bezet man. Iedereen wil de Ierse sportjournalist van de Engelse Sunday Times spreken sinds Armstrongs ballon uiteenspatte. Aangespoord door diens opmerkelijke eerste Tourzege, in 1999, spitte hij de zaak jarenlang uit. Verketterd werd hij door Armstrong, bedreigd en aangeklaagd, beschimpt door woedende lezers, gemeden door collega's in de Tour.


Maar Walsh had al die jaren gelijk. ,,Mensen zeggen nu: je zult je wel gesterkt voelen dat je in het gelijk bent gesteld. Maar zo voelt dat niet. Ik heb nooit anderen nodig gehad voor de bevestiging dat Armstrong doping gebruikte. Ik heb nooit getwijfeld", zegt hij telefonisch vanuit Londen. Geen spoor van triomfantelijkheid. ,,Elke vraag die ik vanaf 1999 heb gesteld bevestigde mij alleen maar dat hij doping gebruikte. Ik heb van hem nooit een antwoord gekregen waarvan ik dacht: misschien is hij onschuldig."


Toen Armstrong hem tijdens een persconferentie in de Tour eens ,,de slechtste journalist ter wereld" noemde, wist de Ier dat hij beet had. ,,Ik dacht: dichter dan dit kom je als journalist niet bij een Oscar."


De alarmbellen gingen rinkelen dankzij een jonge Franse renner, Christophe Bassons, in de Tour de France van 1999, waarin Armstrong terugkeerde nadat hij was genezen van kanker. Het was het jaar na de 'Tour de Farce' van '98, bekend geworden om zijn dopingschandalen en politie-invallen. Bassons schreef tijdens die eerste 'schone' Tour in le Parisien dat de toprenners, ondanks alle beweringen, gewoon doorreden met doping. Het kwam hem in de etappe naar Alpe d'Huez op een geweldige tirade van Armstrong te staan. De druk vanuit het peloton werd vervolgens zo groot dat Bassons knapte, en afstapte.


,,Die reactie van Armstrong zette alles in gang", vertelt Walsh. ,,Ik kende het verhaal van Bassons, een heel sterke rijder. Hij had overwogen doping te gebruiken, maar zijn verloofde had gezegd: als je dat doet, trouw ik niet met je. Iedereen kon weten dat Bassons 'schoon' was. Ik zat dus met een doodeenvoudige vraag aan Armstrong, die elke journalist had moeten stellen: als je een 'schone' renner bent, is Bassons dan je vijand? Natuurlijk niet."


Walsh had geen bewijzen, maar voelde aan alle kanten dat Armstrongs weergaloze comeback in de Tour van 1999 niet klopte. Op de dag dat Armstrong zijn eerste Tour won, schreef Walsh in de Times dat hij niet wist of die prestatie wel applaus verdiende. ,,Er waren tal van redenen om Armstrong te wantrouwen. Voordat hij kanker kreeg was zijn beste prestatie in de Tour een 36ste plaats geweest. Hij kon nooit mee in bergetappes. Eddy Merckx, Bernard Hinault, Jacques Anquetil, mannen met vijf Tourzeges, wonnen allemaal de eerste Tour waaraan ze deelnamen. Armstrong komt in vier Tours niet eens in de buurt van het podium, krijgt kanker en is twee jaar weg uit de sport. Dan wint hij de Tour zeven keer, met tijden die veel sneller waren dan die van Merckx en Hinault. Kom op!''


Toen hij vragen ging stellen aan Armstrong over doping kwam hij snel alleen te staan. ,,Er waren een paar Franse journalisten die hem ook niet geloofden, maar de meesten besloten dat dit een goed verhaal was voor het wielrennen. De Tour van 1998 was een ramp geweest."


Walsh merkte dat veel journalisten hem gingen mijden. ,,Sommigen keken de andere kant op als ik in de persruimte in hun richting liep. Ze wilden geen discussie over Armstrong. Ze wisten wat de uitkomst zou zijn. En ze waren bang voor zijn reactie als ze met mij werden gezien. In 2004 hebben drie collega's mij zelfs uit de auto gezet omdat ze vreesden dat Armstrong anders niets tegen hen zou zeggen."


Het werd Walsh snel duidelijk dat zijn artikelen insloegen in het kamp-Armstrong. ,,Zijn agent Bill Stapleton kwam in 2000 naar mij toe en zei: 'Jij moet heel voorzichtig zijn, want als je dingen schrijft die ons niet aanstaan klagen we je aan.' Ik zei: 'Bill, is dit een dreigement?' Hij zei: 'Ja. Maar als je een andere houding aanneemt zul je makkelijk toegang hebben tot Lance.'"


Een jaar later nodigde Stapleton hem uit voor een exclusief interview, in de buurt van Bordeaux. ,,Ze dachten echt dat ik zó blij zou zijn dat ik al het andere zou vergeten. Ik zei tegen Armstrong: 'Ik ga alleen vragen stellen over doping, al het andere interesseert me niet. Want voordat wij ooit over wielrennen kunnen praten wil ik weten: ben je clean of niet?'"


Armstrong, zo hoorde Walsh naderhand, bleef ziedend achter na het interview - naar later bleek het laatste dat de twee hadden. Walsh beet zich vast in de zaak en vond wat hij zocht. Betsy Andreu, de vrouw van Armstrongs oud-ploeggenoot Frankie Andreu, en Emma O'Reilly, een opgestapte masseuse van de ploeg, brachten de feiten naar buiten.


De beschuldigingen aan het adres van Armstrong werden Walsh door veel lezers niet in dank afgenomen. ,,Elke keer als ik een artikel schreef kregen we weer boze reacties. Jullie zijn de enige krant die vragen stelt bij Armstrong, belachelijk, schreven mensen." Eén lezer schreef dat Walsh leed aan de ergste vorm van kanker die er bestond, ,,kanker aan de geest". Voor zijn krant was het ,,soms moeilijk", zegt Walsh, zeker nadat Armstrongs advocaten gingen procederen. ,,Maar de krant heeft mij altijd gesteund."


Walsh vroeg zich vaak af waarom zo weinig van zijn collega's hem volgden in zijn journalistieke onderzoek. Want ook zij wisten 'het'. ,,Ik zal nooit vergeten dat Armstrong in 1999 de eerste bergetappe won, naar Sestrière. Briljant, maar compleet onwerkelijk. Tijdens het klimmen opende hij nauwelijks zijn mond, hij werd totaal niet moe. Het was zó krankzinnig dat veel journalisten erom moesten lachen. Iedereen wist dat er niets was veranderd, dat de toppers epo gebruikten. Maar twee weken later bejubelden ze hem als de nieuwe god."


Volgens Walsh zwichtten velen onder druk van hun redacties. ,,Die zagen een prachtig verhaal: de man die kanker had overleefd en terugkeerde als Tourwinnaar. Bovendien verscholen de journalisten zich achter het ontbreken van bewijs."


Veel van zijn collega's stelden geen vragen uit angst uit de gratie te vallen bij de Amerikaan. ,,Als je de zaak ging onderzoeken praatte Armstrong niet meer met je. Als ze zagen dat iemand met mij koffie dronk, kwam hij op de zwarte lijst. Voor [ploegleider] Johan Bruyneel was dat bijna een obsessie."


Anderen vonden dat doping gewoon bij het wielrennen hoorde. Walsh citeerde in 1999 in zijn krant een niet bij name genoemde Nederlandse verslaggever: ,,Iedereen weet dat de renners in de Tour doping gebruiken. Als je dat niet accepteert moet je deze sport niet verslaan."


Dat journalisten geen bewijzen hadden tegen Armstrong, vindt Walsh geen geldig excuus. ,,Tegen hen zou ik zeggen: heb je contact gezocht met Betsy Andreu? Zij zou elke journalist ter wereld te woord staan, want zij wilde de waarheid naar buiten brengen. Als een journalist echt had willen spreken met Emma O'Reilly, was dat gelukt. Ze zei misschien 'nee' bij een telefoontje, maar er zijn meer manieren. Niemand heeft mij ooit gevraagd of ik kon helpen contact te leggen met haar. Bovendien: als Bassons uit de Tour wordt gegooid omdat hij zich uitspreekt tegen doping is dat geen bewijs, maar wel een dwingende reden om Armstrong te wantrouwen. En om zijn bullshit niet te accepteren. Iedereen wist hoe hij Bassons had behandeld. Er was genoeg om heel veel vragen te stellen."


In dat opzicht faalde de sportjournalistiek, vindt Walsh. ,,Journalistiek moet onderdeel uitmaken van het proces dat de sport beschermt tegen oplichters. Dat is niet gebeurd. Journalisten werden, net als de UCI, onderdeel van de cover-up. Weet je wat het grote probleem is in deze zaak? Journalisten, de UCI, Hein Verbruggen, Pat McQuaid, de sponsors, het interesseerde ze geen moer dat een kleine jongen als Bassons werd genaaid door de Lance Armstrongs van deze wereld omdat hij weigerde doping te gebruiken."


Voor een deel heeft dat te maken met de aard van de sportjournalistiek, denkt Walsh, die sommige collega's omschrijft als ,,cheerleaders" en ,,fans met een typemachine". De meesten worden volgens hem sportjournalist omdat ze van sport houden en er graag over schrijven - niet omdat ze een goede journalist willen zijn. ,,Soms verblindt die liefde voor de sport. Ze willen niet cynisch worden, ze willen niet horen dat de held een oplichter is. Enthousiasme is wat veel sportjournalisten drijft. Dat willen ze niet kwijtraken."


Dertien jaar na de eerste twijfels bij Walsh volgde dus de grote ontmaskering van Armstrong. Dat hij zich vooral op hem richtte had een reden. ,,Hij was de kampioen, je begint bij de top. Ik had altijd een gevoel dat hij anders was. Ik denk dat veel andere renners de doping in gezogen zijn, hoewel ze het niet wilden. Vanaf dag één zei mijn gevoel dat Armstrong doping omarmde als een kans. Hij voelde dat hij het beter kon organiseren dan anderen, dat hij betere artsen kon krijgen, dat hij dit verder kon oprekken dan wie dan ook. Hij was geen volger in de dopingwereld, maar een leider."


Walsh koketteert niet met de rol die hij speelde. Maar waar hij ook komt, ook weer tijdens de Spelen van Londen, altijd komen journalisten hem vertellen dat zij hem bewonderen om zijn vasthoudendheid. ,,Als mijn kleinzoon eens vraagt, als ik tachtig ben en in een schommelstoel zit, of ik als journalist wel iets goed heb gedaan, zal ik zeggen: Lance Armstrong. Waarom? De waarheid was belangrijk. Wij steunden de mensen die de waarheid vertelden, mensen wier carrières werden geschaad. Zoals Bassons, Betsy Andreu en O'Reilly, de echte sterren in dit verhaal. Veel renners hebben door doping hun loopbaan verloren - en het recht om te weten hoe goed ze hadden kunnen zijn. Niemand weet wie de echte kampioenen waren. "

Armstrong was geen volger, maar een leider


Auteur van boeken David Walsh (57) schreef in 1984 voor het eerst over de wielersport. Via een aantal Ierse kranten kwam hij in 1996 bij de Sunday Times terecht, waar hij nu werkt als chief sports writer. De Ier volgde jarenlang de Tour de France en schreef verscheidene boeken over de zaak-Armstrong, waaronder From Lance to Landis en L.A. Confidentiel, samen met de Franse journalist Pierre Ballester. Hij woont en werkt in Londen.
Sport-klanken
De redactie is op de verkeerde weg

Men zendt ons ter kennismaking een proefnummer van het sport-tijdschrift „Sportklanken", onder leiding van Evert van Mokum en Jan Korf, twee in de wielersport vrij bekende persoonlijkheden. Wij moeten zeggen, de kennismaking is ons niet meegevallen. Of er dan geen behoefte is aan een goed sportblad? Zeer zeker, doch het is jammer te moeten zeggen dat, althans het eerste nummer, niet in deze behoefte voorziet. Er is behoefte aan een fris orgaan, dat geen blad voor de mond neemt, als het er om gaat de vele mistoestanden in de sportwereld te critiseren. Er is behoefte aan een blad dat voor de belangen van de sportbeoefenaren op de bres staat, dat de strijd aanbindt voor een meer democratisch regime in de wielersport, bijvoorbeeld. Daarom kunnen wij niet begrijpen dat en Korf en Evert Lammers, die toch weten hoe de vlag in de wielersport er bij staat, zich lenen tot een hooggestemd Oranje-artikel naar aanleiding van de jubileum-rit van Olympia. Denken de heren nu werkelijk dat onze wielersport-jongens daar nog op zaten te wachten? Indien de redactie van „Sportklanken" op deze weg doorgaat, voorspellen we dat deze sportklanken spoedig weggestorven zullen zijn. Keert zij echter op haar schreden terug en weet men het blad tot het spreek-orgaan te maken van allen en alles die in de officiële sportbladen doodgezwegen worden, dan voorspellen we het blad een bloeiend bestaan. Want twee wielerrotten als Korf en Lammers zijn geen vreemdelingen in Jeruzalem en als ze willen kunnen zij een behoorlijk boekje open doen. En als het werkelijk gaat om sport-belangen, en niet om hielenlikkerij, die er al veel te veel is, laat „Sportklanken" dan dat boekje zijn!


Kop: „Sport-klanken” De redactie is op de verkeerde weg
Krantentitel:
Het volksdagblad : dagblad voor Nederland
Datum, editie: 21-07-1938, Dag
Jaargang, nummer: 2, 386
Uitgever: Communistische Partij Nederland
Plaats van Uitgave: Amsterdam
PPN: 832234311
Verschijningsperiode: 1937-1940
Periode gedigitaliseerd: 1937-1940
Voorloper : De tribune : soc. dem. weekblad
Verspreidingsgebied: Landelijk
Soort artikel: artikel
Bezit en bezitskenmerk: KB C 143

http://kranten.kb.nl/view/article/id/ddd%3A010474167%3Ampeg21%3Ap004%3Aa0045

Magazine 'Genieten in het Brugse Ommeland 2013'
Uitgever: Westtoer.
Redactie: Sophie Allegaert.
84 pagina's.

In 2013 is het 100 jaar geleden dat de eerste Ronde van Vlaanderen werd gereden. Het Brugse Ommeland en de Leiestreek spelen daar dit jaar volop op in.
Naast startplaats Brugge zijn tal van ex-winnaars afkomstig uit de beide regio’s. Monumenten, (wieler)kroegen, musea en het grote aantal wielerwedstrijden blijven een levend bewijs van de bijzondere ‘Ronde’-faam in de regio’s.
Het nieuwe magazine ‘Genieten in het Brugse Ommeland 2013’, uitgegeven door Westtoer, is een inspiratiebron met verhalen over de troeven in de streek.

Johan Museeuw, de Gistelse wielerlegende vertelt met bravoure over zijn streek en over het nieuwe project ‘Iedereen Flandrien’, één van de topthema’s dit jaar in het Brugse Ommeland en de Leiestreek.
Met ‘Iedereen Flandrien’ kunnen fietsers op een bijzondere manier met de vele heroïsche wielerverhalen kennis maken. Zes fietsroutes (vanaf 30 km) dompelen je helemaal onder in de wereld van de Flandriens. Langs elk traject ontdek je tal van belevingselementen. Een mobiele applicatie voor smartphones en de website brengen een interactief verhaal. Een hele reeks tentoonstellingen vertellen het Rondeverhaal van zeven wielerhelden. Een magazine bundelt het grote aanbod van Iedereen Flandrien.

Ommetoertjes 2013
Bij een Ommetoertje begeleidt een streekkenner je op je tocht, kom je op plaatsen waar je anders niet binnen kan en krijg je een streekproevertje aangeboden. Vanaf april starten de Ommetoertjes 2013. Bijzonder dit jaar is dat de kersvers afgestudeerde Streekgidsen Brugse Ommeland voor het eerst hun bijzondere kijk op het Brugse Ommeland delen.

Vélo Baroque, gloednieuw concept met MAfestival
Dit jaar viert Vlaanderen ook de 50ste editie van het MAfestival. Voor deze gelegenheid sloegen het MAfestival en het Brugse Ommeland de handen in elkaar. Hieruit volgde het gloednieuwe concept ‘Vélo Baroque’. Acht concerten worden op 11 augustus gegeven op bijzondere locaties langs een fietslus van 30 kilometer rond Brugge, Damme en Oostkerke. Deze concerten worden herhaald zodat ieder de route op zijn eigen tempo kan fietsen. Er zullen ook MAfestival logeerarrangementen aangeboden worden.
Aan onze lezers!
Lorsque l'enfant paraït, le cercle de familie applaudit a grands cris
Geachte lezers, U weet 't allen: 't was Victor Hugo, welke bovenstaande regelen in zijn onvergetelijke Les Enfants neerschreef. Geachte lezers, U weet 't evenopenbaar al het edele en goeds van zijn telg gaat opsommen. En daarom willen wij ook niet in ons voorwoord mededeelen, dat onze jong geboörne een welgeschapen kindje is, kleuter, die eens een pootige jongen belooft te worden, bolleboos, van alle markten thuis, welke verstand heeft van iedere sport, en in woord en beeld daarvan het huisgezin zal verhalen.
Wij willen er evenmin den nadruk op leggen, dat wij Ons kindje, dat binnenkomt. eens, dat heel dikwijls, bij geboorten, een redenaar deze woorden ter eere van den jong geboörne doet weerklinken. Zoo ook wij, bij het levenslicht aanschouwen van dit nieuwe tijdschrift.
Wij roepen 't echter niet in jubel-toon uit, wijzeggen 't niet met klemtoon, alsof 't een vaststaand feit ware. Wij fluisteren 't eenigszins schroomvallig, in blijde hoop, in zoete verwachting, dat ook om ons kindje, onze Revue der Sporten, in het huisgezin, onze Nederlandsche sportwereld, gejuich zal weerklinken. Zie, het past in 't geheel niet, dat een vader in het het jonge wicht in een aanvallig kleed zullen steker, keurig verzorgd, vol smaak. Dat past den ouders niet! En dan: 't zijn slechts woorden, terwijl 't op daden toch ten slotte aankomt. Vandaar, ons voorwoord zal kort zijn! Wij zenden vol hoop en vertrouwen onzen telg de wereld in. En onze innigste wensch is, dat hij in zoodanige mate de tevredenheid van het publiek zal opwekken, dat later nog eens een sportdichter Victor Hugo navolgt, en in zelfde bewoordingen den lof over ons tijdschrift zingt.

DE HOOFDREDACTIE. LEO LAUER
le Jaargang. No. 1. 1 Juni 1907